Free Essay

Besluitvorming in de Publieke Sector. Accrual Accounting Superieur of Toch Niet?

In:

Submitted By mrestyle
Words 3683
Pages 15
Besluitvorming in de publieke sector.
Accrual accounting superieur of toch niet?

1 Inleiding

In de afgelopen twee decennia, vindt er in de wereldwijde publieke sector een overgang plaats van het boekhouden op basis van cash accounting naar het boekhouden met accrual accounting (Carlin, 2003).
Volgens Riahi-Belkaoui (2004) wordt accrual accounting, in de private sector al vele jaren gebruikt. Reden hiervan is dat accrual accounting, de verwachte toekomstige winsten en kasstromen goed kan voorspellen (Riahi-Belkaoui,2004). Hyndman en Connolly (2011) beweren dat de overstap van cash- naar accrual accounting, door veel overheden als een stap naar een meer zakelijke en prestatiegerichte publieke sector wordt gezien. Dit wordt het New Public Management genoemd. Voorstanders van accrual accounting beweren dat hiermee, het doel van het New Public Management wordt bereikt (Hyndman, & Connolly, 2011). Chase en Trigs (2001) vinden dat accrual accounting ook zal helpen, om overheidsfinanciën inzichtelijk en verklaarbaar te maken. Cash accounting geeft weinig inzicht in de financiële situatie van organisaties en is hierdoor niet betrouwbaar of transparant genoeg voor besluitvormingen (Caperchione, 2006).
In tegenstelling tot de voorstanders, stellen Arnaboldi en Laplsey (2007), Elwood (2003), Broadbent en Guthrie (2008), dat de context waarin lokale overheden opereren, de aard van de activa en de historische boekhouding, belemmerend werken voor accrual accounting. Hiermee wordt er juist een contra productief systeem gecreëerd. Deze auteurs pleiten voor een op maat ontworpen accounting systeem. Zelfs in het Europees Parlement (2011, artikel 6a), wordt nog steeds gepleit dat cash accounting meer inzicht in kasposities verschaft en hierdoor niet mag worden verwaarloosd.
In Australië, dat al volledig over is op accrual accounting, is cash accounting voor een aantal onderdelen weer ingevoerd. Dit om accrual informatie aan te vullen en aan de behoefte voor het beheer van middelen en fiscaal beleid te voldoen (Barton, 2009). De Organisation for Economic Co-operationand Development (OECD, 2008, p. 4) landen geven aan dat: “de consensus onder de OECD landen is het volledig overgaan op accrual accounting en financiële verslaggeving terwijl er wordt gebudgetteerd met cash accounting, of het beperkt toepassen van accrual transacties in de budgetten.”. De eerder genoemde redenen geven aan, dat er een aardige onenigheid bestaat over welke van de twee boekhoudmethoden meer financieel inzicht in de organisatie creëert.
Het doel van dit betoog is om het volgende te verduidelijken. In hoeverre zal accrual accounting, binnen de publieke sector, tot relevantere financiële resultaten leiden dan cash accounting met betrekking tot besluitvorming. Hiermee kan een bijdrage worden geleverd aan vraagstukken, betreffende het streven naar een prestatiegerichter publieke sector. Door theoretische evaluatie, oftewel een literatuurstudie, wordt getracht het doel van het betoog te behalen. Het betoog is als volgt opgebouwd. In paragraaf twee worden de termen cash- en accrual accounting nader toegelicht. In paragraaf drie, wordt het verkrijgen van relevantere financiële resultaten voor besluitvorming beschreven. In paragraaf vier vindt de toets plaats op cash- en accrual accounting. Hier wordt getoetst in hoeverre deze twee methoden leiden tot relevantere financiële resultaten voor besluitvorming. Paragraaf vijf bevat de conclusie en het antwoord op de centrale vraag. 2 Theoretisch achtergrond

In deze paragraaf worden de begrippen accrual- en cash accounting toegelicht. Het is mogelijk om deze twee methoden van boekhouden, in verschillende gradaties toe te passen. Echter in dit betoog worden deze twee begrippen zonder gradaties toegelicht.

2.1 Accrual accounting

Littleton en Zimmerman (1963) stellen dat accrual accounting door de industriële revolutie is ontstaan. De groei van organisaties en de behoefte om voort te kunnen bestaan, heeft voor extra vraag om middelen gezorgd. Littleton en Zimmerman constateren dat de vraag naar periodieke financiële rapportages, om posities en middelen in kaart te brengen, door het aantal en de complexiteit van transacties is ontstaan.
Volgens de International Federation of Accountants (IFAC, 2000), kan accrual accounting als volgt worden omschreven. De baten of lasten worden toegerekend aan de periode waarop deze betrekking hebben. Ongeacht wanneer de diensten of goederen worden betaald of ontvangen. De IFAC onderscheidt de volgende onderdelen voor deze vorm van accounting: activa, passiva, eigen vermogen, omzetten en kosten.
Bij accrual accounting worden er kapitaallasten berekend over de activa (Tickel, 2010). Wanneer bijvoorbeeld de overheid een vliegtuig koopt, worden de kosten met accrual accounting over de economische levensduur van het vliegtuig verdeeld. Dit wordt afschrijving genoemd. Ook de infrastructuur en cultuur gerelateerde objecten zoals: wegen, bruggen, musea, parken, gebouwen etc. worden met deze methode op de balans geactiveerd (Tickel, 2010). 2.2 Cash accounting

Volgens Pallot (1992), is de publieke sector met cash accounting gaan werken om democratische controle over de budgetten te creëren. Doordat het makkelijker is om budgetten met werkelijke ontvangsten of betalingen aan te sluiten, is cash accounting wereldwijd doorgevoerd (Bergmann, 2012).
Met Cash accounting worden de baten of lasten toegerekend aan de periode dat de diensten of goederen werkelijk zijn betaald of ontvangen (Zarandi, Ghafari, Arab, Mozdabadi, 2012). Het totaal financieel resultaat over een periode, wordt gezien als het verschil tussen het ontvangen en betaalde geld (IFAC PSC, 2000). Het financieel resultaat wordt berekend, door de veranderingen in het kassaldo te meten.
Door het alleen bijhouden van kassaldo, worden aankopen alleen bij het moment van aankoop geregistreerd. Terugkijkend naar het voorbeeld in paragraaf 2.1, wordt het vliegtuig hierdoor alleen bij aankoop geregistreerd. De kosten worden niet over de levensduur verdeeld, maar eenmalig van het kassaldo afgeboekt (Tickel, 2010). Door deze manier van registreren, is er bij cash accounting geen sprake vanactiva of passiva. Hierdoor ontstaan ook geen kapitaallasten. De winsten of verliezen, worden aan de hand van een kasstroomoverzicht gerapporteerd. Dit overzicht geeft de ontvangsten en uitgaven weer (IFAC, 2000).

3 Criteria

De International Public Sector Accounting Standards Board (IPSASB) (2014), heeft een kader opgesteld voor het verkrijgen van relevantere financiële resultaten voor overheden. Dit wordt het International Public Sector Accounting Standards (IPSAS) genoemd.
De prestaties van publieke organisaties, kunnen worden gemeten en beoordeeld aan de hand van de kasstromen, financiële prestaties en financiële posities (IPSASB, 2014). De resultaten worden hiermee betrouwbaar voor verantwoording en inzichtelijk voor besluitvorming. Dit leidt uiteindelijk tot relevantere financiële resultaten voor de besluitvorming. Deze drie begrippen, worden hieronder toegelicht.

3.1 Kasstromen

De informatie over kasstromen van een regering of een ander publiek orgaan, draagt bij aan het beoordelen van organisaties op onderdelen als liquiditeit en solvabiliteit (IPSASB, 2014). Dit geeft aan hoe de entiteit gebruikt maakt van ontvangsten en uitgaven. Hieronder kunnen opnamen en aflossingen van leningen en de aan- en verkoop van materiële vaste activa vallen. Met deze informatie wordt inzicht verkregen in de hoeveelheden en bronnen van kasmiddelen.
De kasstromen geven inzicht in de middelen die nodig zijn, om toekomstige perioden van dienstverlening te kunnen faciliteren. Hiermee wordt bijgedragen aan relevantere financiële resultaten voor besluitvormingsdoeleinden (IPSASB, 2014). Deze kasstromen kunnen in een kasstroomoverzicht worden weergegeven. Dit overzicht geeft de kasstromen van financieringsactiviteiten, operationele activiteiten en investeringsactiviteiten weer (Walker, 2009).

3.2 Financiële prestaties

Informatie over de financiële prestaties, van een regering of een ander publiek orgaan, kan bij het beoordelen van organisatieonderdelen worden gebruikt (IPSASB, 2014). Een voorbeeld hiervan is: of de middelen die de entiteit heeft verworven, effectief en efficiënt zijn ingezet om de doelen van de organisatie te realiseren.
Volgens IPSASB kan ook worden beoordeeld, hoe kostendekkend de entiteit is. Kostendekkendheid kan worden gecreëerd, door bijvoorbeeld het ophalen van belastingen, bijdragen en retributies. Deze inkomsten worden gebruikt, om diverse kosten te kunnen betalen. Dit soort indicatoren, zijn aan de hand van financiële overzichten te bepalen. Wanneer het mogelijk is om prestaties met cijfers te meten, zijn de resultaten volgens IPSASB (2014) relevant voor besluitvorming.

3.3 Financiële positie

De financiële positie van een organisatie, wordt weergegeven in een overzicht van de activa, passiva en eigen vermogen (Downes, & Goodman, 2006). Wanneer activa en passiva niet aan elkaar gelijk zijn, wordt het resterend bedrag als eigen vermogen gerapporteerd (IFAC, 2000). Het positieve eigen vermogen, is het bedrag dat de organisatie beschikbaar heeft om de dienstverlening voort te zetten. Een negatieve eigen vermogen, kan worden gezien als een verplichting voor toekomstige perioden (IFAC, 2000). De IFAC geeft ook aan, dat het eigen vermogen helpt bij het managen van de schuldposities.
IPSASB (2014) heeft waarderingsrichtlijnen opgesteld, om de activa en passiva te waarderen. Deze richtlijnen zorgen dat de betrouwbaarheid van de posities stijgt en posities zo objectief mogelijk worden gewaardeerd. Bij een erg rooskleurig waardering van de activa schetst de balans een positief beeld, terwijl de activa in werkelijkheid veel minder waard is.
Om de betrouwbaarheid en inzichtelijkheid voor besluitvorming te bereiken, moeten de posities volgens IPSASB (2014) meetbaar worden gemaakt. Dit betekent dat de activa, passiva en eigen vermogen, duidelijk in de financiële rapportages moeten worden toegelicht. 4 Toets

In deze paragraaf vindt de toets op cash- en accrual accounting plaats. Er zal worden getoetst, in hoeverre deze twee methoden leiden tot relevantere financiële resultaten voor besluitvorming. De drie onderwerpen waarop deze twee begrippen worden getoetst zijn:
• Kasstromen;
• Financiële prestaties;
• Financiële posities.

4.1 Kasstromen

Accrual accounting kan volgens Kwon (1989, kasstromen beter inschatten en beoordelen dan cash accounting. De belangrijkste reden hiervoor is dat accrual accounting kosten beter kan inschatten en de besluiten van management hierdoor beter reflecteert. Daarentegen beweert Guthrie (1998), dat het verschil tussen cash- en accrual accounting alleen in het moment van toerekenen ligt. In beide gevallen zou, over een middel tot lange termijn, geen verschil moeten zijn in kasstromen. Daardoor is er geen verschil, tussen cash- en accrual accounting, in het beoordelen en inschatten van kasstromen. Uiteraard uitgaande van dezelfde inputs, die door de overheid worden geleverd.
Pinnuck en Potter (2009) concluderen dat accrual accounting, effectief de toekomstige kasstromen kan voorspellen. Voornamelijk, omdat accrual accounting rekening houdt met afschrijvingen en in het kasstroomoverzicht het resultaat hiermee corrigeert. Door de beweringen van Guthrie (1998), lijkt het alsof cash- en accrual accounting niet veel van elkaar verschillen in het uitdrukken van kasstormen. Dit klopt; echter verschaft cash accounting veel minder inzicht in de resultaten van de organisatie (Pinnuck, & Potter, 2009).
Zoals Walker (2009) beschrijft, bevat het kasstroomoverzicht ook een onderdeel die kasstromen uit operationele activiteiten weergeeft. Deze kasstromen geven inzicht in de hoeveelheid geld, dat met het beoefenen van de kernactiviteiten is gemoeid. Met cash accounting wordt dit inzicht niet verkregen, omdat bijvoorbeeld afschrijvingen geen kasstromen creëren. Afschrijvingen worden met cash accounting niet berekend. (Clatworthy, Pong, Wong, 2012). Bij beide methoden is het mogelijk om de kasstromen uit investerings- en financieringsactiviteiten op te stellen. Deze twee activiteiten brengen werkelijke kasstromen met zich mee. De solvabiliteit kan met accrual accounting ook worden berekend, omdat bij accrual accounting sprake is van eigen vermogen (Clatworthy, Pong, Wong, 2012). Bij cash accounting wordt het banksaldo als totale vermogen gezien en wordt vreemd vermogen niet erkend. Hierdoor kan de solvabiliteit niet worden berekend (IFAC, 2000).
Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden, dat accrual accounting ten behoeve van besluitvorming meer inzicht kan verschaffen in kasstromen. Dit komt vooral omdat accrual accounting ook rekening houdt met toekomstige kasstromen, zodat organisaties de toekomstige factoren kunnen meenemen in de beslissingen die zij nemen. (Pinnuck, & Potter, 2009).

4.2 Financiële prestaties

Financiële prestaties worden aan de hand van prestatie-indicatoren gemeten. Deze indicatoren worden gebruikt voor inzicht in kosten en efficiency. Volgens Guthrie (1998) zijn deze indicatoren), niet capabel om de gevolgen van beslissingen in de publieke sector te meten. Guthrie vindt deze indicatoren alleen bruikbaar, wanneer de doelstellingen voor publieke organen overeenkomen met die van commerciële organisaties. Een doelstelling kan bijvoorbeeld return on assets zijn. Hiermee wordt berekend hoe effectief de organisatie de activa gebruikt, om inkomsten te genereren. Guthrie concludeert dat het vergelijken van de prestatie-indicatoren van organisaties pas mogelijk wordt, wanneer de doelen overeenstemmen en de resultaten door middel van accrual accounting zijn opgesteld. Guthrie geeft ook aan dat alleen indicatoren, die zijn gebaseerd op kasstromen, nuttig zijn voor gebruik in de publieke sector.
Carlin (2005) geeft aan dat de assumpties die worden gebruikt bij het bepalen van accruals door publieke organen, verschillen van de assumpties die door het bedrijfsleven worden gebruikt. Hierdoor is het verwerpen van prestatie-indicatoren in de publieke sector, wegens het argument van Guthrie (1998), volgens Carlin (2005) absurd. Een ander argument is dat het bezit van informatie, die middels accrual accounting is opgesteld, voordelen oplevert. Ongeacht in welke sector deze wordt gebruikt (Rowles, 2004). In het bedrijfsleven dragen deze prestatie-indicatoren bij aan het nemen van juiste beslissingen en het beter verdelen van de beschikbare middelen.
Prestatie-indicatoren kunnen worden opgesteld op basis van cash- en accrual accounting. Rowles (2004) geeft aan dat er veel meer prestatie-indicatoren kunnen worden opgesteld door middel van accrual accounting. Dit komt doordat cash accounting alleen de kasstromen registreert en hiermee alleen indicatoren met betrekking tot cash laat zien. Aan de hand van deze indicatoren, worden organisatie brede beslissingen genomen waarmee middelen beter kunnen worden ingezet. Accrual accounting verschaft niet alleen informatie over kasstromen, maar ook bijvoorbeeld over het gebruik van activa. Dit maakt het voor de publieke sector makkelijker om schaarse middelen beter te benutten en de belastinginkomsten beter in te zetten (Carlin, 2005).

4.3 Financiële posities

Financiële posities geven inzicht in de middelen van een organisatie. Zoals in paragraaf 3.3 wordt aangegeven, helpen deze inzichten om relevantere financiële resultaten te verkrijgen voor besluitvorming. Guthrie (1998) en Barton (1999) beweren dat het waarderen van activa in de publieke sector niet mogelijk is, omdat de activa van publieke organen een ander aard heeft dan de activa van het bedrijfsleven. Pas wanneer de overheid de totale waarde van de aangehouden activa weet, kan zij effectief hierover beslissen. Guthrie (1998) en Barton (1999) geven aan, dat het toekennen van monetaire waarden aan activa zoals kunstcollecties, schoolgebouwen, musea, wegen, bruggen, erg moeilijk is. Carnegie en Wolnizer (1995) geven aan, dat het doel van deze middelen niet winstgevendheid is, maar het behouden van culturele waarden. Deze waarden kunnen niet in monetaire eenheden worden uitgedrukt.
Daarentegen geven Robinson (1998) en Hone (1997) aan, dat waardering nodig is om de prestaties van deze aangehouden middelen te kunnen beoordelen. Zonder een beoordeling, worden de middelen van publieke organen niet effectief en efficiënt ingezet. Hiermee wordt het doel van het publieke orgaan, het behouden van culturele waarden en dienen van de maatschappij, niet geschaad maar juist verbeterd. Met accrual accounting wordt ook inzicht verkregen in de schuldpositie van het publiek orgaan. Met cash accounting zijn de bedragen zichtbaar die voor rente of aflossingen zijn uitgegeven, maar de totale schuldpositie wordt in principe niet geboekt (IFAC, 2000). Dit verschaft wel enige inzicht in de posities, maar weergeeft niet het totaalbeeld. Door het gebruik van accrual accounting wordt ook meer inzicht verkregen in de posities van een organisatie. Dit maakt het mogelijk om beslissingen beter te onderbouwen. Zoals Broadbent (2007) aangeeft, is het moeilijk om datgene te managen wat niet wordt gemeten. Als het New Public Management doorgevoerd wordt, zullen alle activa een voor een worden beoordeeld. Deze beoordeling moet duidelijk maken wat bijvoorbeeld de return on assets per entiteit is. Dit is met cash accounting niet mogelijk. Aan de hand van kasstromen wordt er een beeld verkregen, maar om het totale plaatje te kunnen beoordelen moet meer inzicht in de posities worden verkregen. Dit is ook conform de richtlijnen die IPSASB (2014) heeft opgesteld, om tot relevantere financiële resultaten te komen ten behoeve van de besluitvorming.

5 Conclusie

In de afgelopen twee decennia heeft er in de wereldwijde publieke sector, een overgang van het boekhouden op basis van cash accounting naar het boekhouden met accrual accounting plaatsgevonden. De aanleiding hiervoor was het New Public Management (NPM). De gedachtegang van het NPM is het zakelijker en prestatiegerichter inrichten van de publieke sector. Cash accounting voldeed niet meer aan de wensen van meeste overheden, namelijk het verschaffen van meer inzicht in de resultaten. Accrual accounting leek de oplossing, alleen had deze ook de nodige complicaties. Kortom, er bestond enige onenigheid over het creëren van financieel inzicht in de organisatie. Met dit betoog is onderzocht in hoeverre accrual accounting, binnen de publieke sector, tot relevantere financiële resultaten heeft geleid dan cash accounting met betrekking tot besluitvorming. Om deze vraag te beantwoorden is een literatuurstudie uitgevoerd. Allereerst is er gekeken naar de eisen voor relevantere financiële resultaten met betrekking tot de besluitvorming. IPSASB heeft een raamwerk opgesteld om dit te bereiken. Uit dit raamwerk is gebleken dat inzicht verkregen moet worden in de kasstromen. Beide boekhoudmethoden kunnen inzicht verschaffen in de kasstromen. Het enige verschil is dat accrual accounting, ook inzicht kan verschaffen in de kasstromen uit operationele activiteiten. Dit is voornamelijk belangrijk voor het verkrijgen van inzicht in de middelen die bij het uitoefenen van de kernactiviteiten zijn gemoeid. Ten tweede is er gebleken dat de financiële prestaties moeten worden gemeten, om tot relevantere financiële resultaten te komen. Deze worden door middel van prestatie-indicatoren gemeten. Aan de hand van beide boekhoudmethoden, kunnen prestatie-indicatoren worden opgesteld. Echter, er zijn veel meer indicatoren met accrual accounting te berekenen dan met cash accounting. Voornamelijk door het feit dat cash accounting op de kasstromen is gericht en accrual accounting is ingericht om een totaal beeld van de organisatie weer te geven. Dit totaalbeeld geeft meer inzicht in de organisatie en kunnen de organisatieonderdelen beter worden beoordeeld. Als laatste moet er inzicht in de financiële posities van de organisatie worden verkregen. Met cash accounting worden alleen de kasposities meegenomen. Door middel van kasposities is het niet mogelijk om te zien waar het vermogen van de organisatie uit bestaat. Met cash accounting wordt niet duidelijk wat de schuldpositie van de organisatie is. Met accrual accounting wordt wel inzicht verkregen in alle posities van de organisatie. Echter speelt hier de discussie, of de waarde van de activa van publieke organisaties in monetaire eenheden kan worden uitgedrukt. Hier zijn de meningen over verdeeld. Het moet voor de besluitvorming wel duidelijk zijn, welke onderdelen van de balans als sterk of zwak kunnen worden beoordeeld. Hierdoor zijn de financiële resultaten relevanter voor besluitvorming. Aan de hand van accrual accounting wordt dit inzicht wel verkregen. Uit het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat accrual accounting, binnen de publieke sector, tot relevantere financiële resultaten heeft geleid met betrekking tot besluitvorming. In alle drie de eisen die door de IPSASB is opgesteld, voldoet accrual accounting meer aan deze eisen. Met accrual accounting kunnen tevens besluitvormingen beter worden onderbouwd en, zoals het NPM voorschrijft, wordt hiermee een zakelijkere en prestatiegerichtere publieke sector gecreëerd.

Bibliografie

Arnaboldi, M., & Lapsley, I. (2009). On the implementation of accrual accounting: a study of conflict and ambiguity. European Accounting Review, 18(4), 809-836.

Bergmann, A. (2012). The influence of the nature of government accounting and reporting in decision-making: evidence from Switzerland. Public Money & Management, 32(1), 15-20.

Barton, A. (1999). Public and Private Sector Accounting‐The Non‐identical Twins. Australian Accounting Review, 9(18), 22-31.

Barton, A. (2009). The use and abuse of accounting in the public sector financial management reform program in Australia. Abacus, 45(2), 221-248.

Broadbent, J. (2007). If you can't measure it, how can you manage it? Management and governance in higher educational institutions. Public Money and Management, 27(3), 193-198.

Broadbent, J., & Guthrie, J. (2008). Public sector to public services: 20 years of “contextual” accounting research. Accounting, Auditing & Accountability Journal, 21(2), 129-169.

Caperchione, E. (2006). The New Public Management—A Perspective for Finance Practitioners. Brussels, Belgium: FEE.

Carlin, T. M. (2003). Accrual accounting & financial reporting in the public sector: Reframing the debate. Macquarie Graduate School of Management Working Paper, 22.

Carnegie, G. D., & Wolnizer, P. W. (1995). The financial value of cultural, heritage and scientific collections: an accounting fiction. Australian Accounting Review, 5(9), 31-47.

Chase, B. W., & Triggs, L. B. (2001). How to implement GASB Statement No. 34. Journal of Accountancy, 192(5), 71-79

Clatworthy, M.A., Pong, C.K.M., Wong, W.K. (2012). Auditor quality effects on the relationship between accruals, cash flows and equity returns: a variance decomposition analysis. Accounting and Business Research, 42(4), 419-439.

Ellwood, S. (2003). Bridging the GAAP across the UK public sector. Accounting and Business Research, 33(2), 105-121.

European Parliament (2011). Draft Council Directive on Requirements for Budgetary Frameworks in Member States. Brussels, Belgium.

Guthrie, J. (1998). Application of accrual accounting in the Australian public sector–rhetoric or reality. Financial Accountability & Management, 14(1), 1-19.

Hone, P. (1997). The financial value of cultural, heritage and scientific collections: a public management necessity. Australian Accounting Review, 7(13), 38-43.

Hyndman, N., & Connolly, C. (2011). Accruals accounting in the public sector: A road not always taken. Management Accounting Research, 22(1), 36-45.

IFAC PSC (2000). Government Financial Reporting: Accounting Issues and Practices. New York, United States of America. IFAC.

IPSASB (2014). The Conceptual Framework Exposure: Conceptual Framework for General Purpose Financial Reporting by Public Sector Entities. IFAC.

Downes, J., & Goodman, J. E. (2006). Dictionary of finance and investment terms. Barrons Educational Series Incorporated.

Kwon, Y.K. (1989). Accrual versus cash-basis accounting methods: An agency-theoretic comparison. Journal of Accounting and Public Policy, 8(4), 267-281.

Littleton, A.C., & Zimmerman, V.K. (1962), Accounting Theory: Continuity and
Change. Prentice-Hall.

Pinnuck, M., & Potter, B. N. (2009). The quality and conservatism of the accounting earnings of local governments. Journal of Accounting and Public Policy, 28(6), 525-540.

Riahi-Belkaoui, A. (2004). Accounting theory. Harcourt Brace Jovanovich.

Robinson, M. (1998). Accrual accounting and the efficiency of the core public sector. Financial Accountability & Management, 14(1), 21-37.

Rowles, T. (2004). Accrual Accounting in the Public Sector: its usefulness in economic decision making. Journal of Finance and Management in Public Services, 3(2), 62-77.

OECD (2008). 9th annual OECD public sector accrual symposium—annotated agenda. Paris: Organisation for Economic Co-operation and Development, Public Governance Committee.
Pallot, J. (1992). Elements of a Theoretical Framework for Public Sector Accounting. Accounting, Auditing and Accountability Journal, 5(1), 38-59.
Tickell, G. (2010). Cash to Accrual Accounting: One nation’s dilemma. International Business & Economics Research Journal (IBER), 9(11), 71-78.
Walker, R. G. (2009). Public sector consolidated statements—an assessment. Abacus, 45(2), 171-220.

Zarandi, H., Ghafari, E., Arab, M., & Mozdabadi, S. (2013). Accrual-based accounting system versus cash-based accounting: An empirical study in municipality organization. Management Science Letters, 3(1), 251-256.

Similar Documents