Free Essay

Privaatrecht

In:

Submitted By Tryingout
Words 7102
Pages 29
Aantekeningen Privaatrecht
Objectief recht = alle wetten
Subjectief recht is:
- Absoluut Tegenover iedereen
- Relatief Verbintenis – Uit overeenkomsten - Uit de wet(Meestal door misdraging)
Absoluut bestaat uit zakelijke rechten en vermogensrechten. Zakelijke rechten bestaan uit roerende en onroerende zaken.
Onroerende zaken:
- Grond
- Alles in de grond
- Gebouwen
- Beplanting
Roerend: Alles wat niet onroerend is. Boten en vliegtuigen zijn roerende zaken, maar ook wel registergoederen met kenmerken van onroerende zaken. Woonboten zijn situatieafhankelijk: Is de boot vast en gemonteerd, dan is het onroerend. Is de boot los en gaat mee met waterpeil, dan roerend.
Je bent eigenaar van zaken en rechthebbende van vermogensrechten(octrooi, patenten, auteursrechten, merken).
Vorderingen zijn verbintenissen, maar als je deze verkoopt, dan valt het onder vermogensrecht.
Tentamen
15 MC vragen(30 punten)
3 Open vragen
Opgave 2 (20 punten) Eigendom, eigendomsverkrijging, derdenbescherming, overdracht. 5/6 vragen Bk 3 Titel 4. Bk 5 Titel 1 2 3
Opgave 3 (25 punten) Pandrecht en hypotheekrecht Bk 3 Titel 9
Opgave 4 (25 punten) Faillissementsrecht, bepaling van boek 3 titel 10(Verhaalsrecht op goederen). Schuldsanering bij natuurlijke personen(bijna letterlijk uit de wet halen)

Geen surséance in het tentamen.
Burgerlijk procesrecht algemeen kennen, makkelijke vragen.
Uitwerkingen Casussen Privaatrecht
Week 1
Casus 1
1)
a. Relatief recht
b. Absoluut- en vermogensrecht, want het pandrecht is gevestigd op een recht.
c. Erfpacht is als de eigenaar zijn huis of grond aan iemand anders uitleent. De eigenaar mag niet meer op zijn grond komen. Erfpacht is een absoluut en zakelijk recht.
d. Stel erfpachter(huurder) vraagt lening bij de bank Bank wil zekerheid en hypotheek. Hypotheek op pand kan niet, want pand is niet pachterseigendom, dus hypotheek op erfpacht. Zelfde met gebruiksrecht van bijvoorbeeld een flat. Het is een recht op recht dus absoluut en vermogensrecht.

Dieren zijn geen zaken, behalve als ze geld opleveren.
2) Eigendom kun je opeisen, als er geen recht op die zaak is. Maar B heeft nu het recht op de auto gekregen en dus kan revindicatie niet plaatsvinden.
Eigendomsrecht kun je beperken door:
- Grondrecht: Erfpacht, opstalrecht, erfdienstbaarheid, appartementsrecht en vruchtgebruik.
- Zaken in zekerheid: Pand en hypotheek.
3) Ouder recht gaat voor jongere rechten. BW 3:16 + 21. Registergoederen schrijf je in in het kadaster en de datum van inschrijving is bepalend. Erfpachtrecht is ouder en blijft dus bestaan.
Pandrecht kan alleen op roerende zaken en vermogensrechten.
4) Erfpachtrecht wordt vernietigd, want hypotheek is ouder.

5) Je kan wel verhuren, maar niet in vruchtgebruik overgedragen. Dit kan alleen als het een zelfstandige eenheid is.

6)
a. Machine is roerend goed en valt dus niet onder het hypotheekrecht. Leverancier is dus eigenaar.
b. Machine is gehuurd, maar wel onderdeel van het gebouw en dus huurder is eigenaar. Valt dus wel onder het hypotheekrecht.
c. Is een roerend goed, valt dus niet onder het hypotheekrecht.

Casus 2
1) De tennisbaan is van Vrolijk, want het zit op zijn grond. Het is een gebruiksrecht. En het is een relatief recht, want het is een overeenkomst met een persoon.
Eigendom Beperkte rechten Genoten recht en zekerheidsrecht Bk 3
Genoten recht: Erfpachtrecht, opstalrecht, erfdienstbaarheid, appartementsrecht, vruchtgebruik
Zekerheidsrecht: Pand & Hypotheek
Door middel van erfdienstbaarheid is het eigendom beperkt. Het erf van Vrolijk is lijdend erf en het erf van Frits is leidend. Dus het erf van Frits staat ‘’hoger’’. Erfdienstbaarheid BK 5 art 70 ev. Er is in het koopcontract afgesproken en NIET vastgelegd bij de registers. Dus als Nooitgedacht het huis koopt, mag zij niet meer tennissen, omdat de afspraak tussen Frits en Vrolijk dan eindigt, omdat het alleen in het contract is vastgelegd. Relatief recht!
2) Het huis van Vrolijk wordt gekocht door Stavast. Het is een relatief recht, dus als Vrolijk vertrekt is Frits zijn recht kwijt. Het is niet vastgelegd in het kadaster!
3) Doordat het in het kadaster is opgenomen is het een absoluut recht geworden. Het is een zakelijk recht geworden en een genotsrecht in vorm van erfdienstbaarheid. Dan blijft het recht dus wel bestaan en moet hij het gebruik op de tennisbaan toestaan. Het is niet verstandig om dit in het kadaster op te nemen, want je verhuist wel eens. BK 5 Titel 4.
4) Als je iets erft, wordt je eigenaar. Dit is geregeld in ‘De verkrijging en het verlies van goederen’. BK 3 Titel 4! Art 80 lid 2 Algemene titel Het hele vermogen gaat over. Bijzondere titel Sommige delen gaat over. Bij overlijden is het een algemene titel, dus krijgt hij alle rechten en plichten. Absoluut en relatief! Hij heeft het vermogen geërfd, dus moet hij het gebruik toestaan.
Als het gaat om zaken, zijn het vaak absolute rechten, kan je nakijken in het kadaster.
Casus 3
Hypotheekrecht rust alleen op onroerende zaken. Pandrecht is roerende zaken.
Onroerende zaken art 3 Bk3.
Eigendom onroerende zaken art 20 Bk 5
1) De fabriekshal valt onder het hypotheekrecht. Het is namelijk een onroerende zaak en valt onder eigendom van de grond.
2) Machines zijn roerende goederen en valt dus niet onder het hypotheekrecht.
3) De machines zijn een bestanddeel van een gebouw geworden. En zijn dus een onroerend goed en valt onder het hypotheekrecht. De verkoper legt het af tegen Art 4 bk 3 en is niet zonder schade te verwijderen.
4) De golfplaten zijn zonder schade te verwijderen. Bestanddelen: Wezenlijk onderdeel: *Is het onderdeel noodzakelijk voor het hoofdonderdeel? Lid 1. * Niet zonder schade te verwijderen Lid 2. Maar ze zijn wel een wezenlijk onderdeel van de zaak en dus volgens Art 4 lid 1 een bestanddeel van de zaak en valt het onder het hypotheekrecht. (onroerend)
5) De nis is onderdeel van het gebouw en valt dus onder het hypotheekrecht. De nis en het gebouw zijn passend gemaakt en is het dus een wezenlijk onderdeel van het gebouw.
6)Verlichting is in bedrijfsgebouwen niet smaakgericht, maar moeten het gewoon doen(Bestanddeel van het gebouw). Het is onroerend, want je laat het hangen. Verlichting in huisgebouwen is smaakgericht en is dus roerend. Het valt onder het hypotheekrecht.
7) De ovens, koelkasten en afwasmachines zijn geïnstalleerde onderdelen en vallen dus onder het hypotheekrecht. Ze zijn ingebouwd en dus onroerend.
Casus 4
1) Ja, de nieuw gebouwde voorraadloods valt onder het hypotheekrecht van de Boeren- en Tuindersbank. Het recht zit op de gehele boomgaard van A en als er iets nieuws op gebouwd wordt, valt dit er ook onder. Hypotheek zit op de grond en dus ook op het gebouw.
2) Verwarming is onderdeel van het gebouw(wezenlijk onderdeel) en dus onroerende zaak. Het valt dus onder het eigendomsrecht van de grondeigenaar. Het valt onder het hypotheekrecht en zijn de gelden van de opbrengst voor de bank.
3) De bank kan recht doen gelden op de opbrengst van de zonnepanelen. Het is op maat gemaakt en hoort bij het gebouw voor de energie. Dan is het een wezenlijk onderdeel en dus een onroerende zaak. Het valt onder het eigendomsrecht en hypotheekrecht. Kan ook andere kant op motiveren(geen wezenlijk onderdeel): Betaald, voor curator. Niet betaald: Voor zonnepaneelleverancier.
4)
a. Hier is sprake van een beperkt recht genotsrecht Vruchtgebruik. Als het niet geplukt is, zijn ze van de grondeigenaar en dus heeft de bank daar het recht op, omdat het onder het hypotheekrecht valt.
b. Nog steeds van de bank, omdat ze niet geplukt zijn.
c. Door het plukken zijn de appels zelfstandige roerende zaken geworden. De bank heeft dus geen hypotheekrecht meer op de appels. De bank heeft er dus geen recht meer op. De opbrengst is voor B, omdat er een afspraak is gemaakt dat ze voor B zijn als ze geplukt zijn.
Casus 5
1)
a. KPN-Telecom zou van mening zijn dat hij eigenaar is van de grond onder hun centrale. Ze zouden dan beargumenteren dat via natrekking de kelder eigendom is van KPN-Telecom. Art 20 BK 5 Titel 3. Datgene wat in de grond zit, is van KPN. Is duurzaam met de grond verenigd. Art 21 Bk 5: Wat in de grond zit, mag je ook gebruiken: Verticale natrekking.
b. Het is ondeelbaar en het hoort bij K. Hij maakt gebruik van horizontale natrekking. Art 20 BK 5 e: Voor ze voor de rest geen bestanddeel zijn van iemand anders. Het is een bestanddeel van K.
c. K gaat dit winnen, omdat het laatste argument sterker is dan het eerste. Het is een bestanddeel van zijn gebouw.
d. Een regeling treffen met K. Bijvoorbeeld een dwangsom opleggen als de kelder ergens anders voor gebruikt wordt. Als er echt misbruik gemaakt van wordt, kan je dit via de rechter regelen. Kijk bv naar art 54 Bk 5.
Tussendoor:
Bk 5 art 21. Kun je het verbieden dat drones over jou terrein vliegen? Vliegtuigen natuurlijk niet. Dit wordt waarschijnlijk aangepast.
Casus 6
1) Nee, het is niet vast gelegd in het kadaster. Dus is het geen absoluut recht(zakelijk recht), maar een relatief recht. Dus hij kan er geen gebruik van maken. Het recht was tussen 2 personen.
2) Ja, er is sprake van erfdienstbaarheid en dus een absoluut recht. Dan blijft het recht wel behouden, omdat je het tegen iedereen kan uitoefenen.
3) Als ze overlijdt, dan neemt de erfgenaam elke rechten en plichten(hele vermogen) over. Dus ook de relatieve rechten(evenals absolute rechten). Het recht blijft dan gehandhaafd.
4) Wild is eigenaar van de grond, en dus ook wat er is aangebracht aan de grond. De klinkers zijn dus eigendom van Wild. De erfdienstbaarheid heeft hier niets mee te maken.
5) 23 december Natrekking. Bestrating voltooid.
Week 2
Casus 7
Bezit is de zaak in handen hebben, met de bedoeling eigenaar te zijn.
Houderschap is de zaak in handen hebben, zonder bedoeling eigenaar te zijn.
Lenen/Huur Houder Jatten Bezitter
Eigenaar en bezitter tegelijk kan wel, andere combinaties niet.
Art 107 BW 3
1) Ze zijn bezitter, want ze zijn bedoeling eigenaar te zijn, maar dat zijn ze niet. Ze ‘’pikken’’ het stukje grond.
2) Art 80 BW 3
Verkrijging van goederen Bijzondere titel of algemene titel
Algemene titel:
- Erfopvolging
- Boedelmenging (Trouwen)
- Fusie en splitsing van bedrijven
Je krijgt alle rechten en plichten!

Bijzondere titel:
- Overdracht (kopen en verkopen) Art 84 BW 3 (Geldige titel, beschikkingsbevoegd, levering)
- Verjaring (Tijdsverloop)
- Onteigening (Overheid heeft beschikking bv land te kopen ongeacht waar)
- Overige vormen Art 13 & 14 BW 5
Verkrijging onder bijzondere titel Overdracht

3) Art 20 BW 5 lid 2: De eigenaar van de leidingen is diegene die de leidingen beheert, dus de energiemaatschappij.
4) Hij is eigenaar geworden door middel van overdracht. De grond met beplanting en dergelijke erop is dan van hem. Anders was de beplanting van de gemeente.

5) Eigenaar & bezitter: Peter Peer(heeft hem gekocht, verkrijging onder bijzondere titel Overdacht)
Houder: Janny Stoof, accepteert dat de verkoper hem verhuurt.

6) Het zwembad is van Peer, het grootste deel op zijn terrein. Het is een bestanddeel van zijn terrein en door horizontale natrekking is het eigendom van Peer. Art 20 BW 5 lid 1 e
Casus 8
1)
a+b. Hij is eigenaar en bezitter van het stuur geworden dmv verkrijging onder bijzondere titel Overdracht, bij levering eigenaar. Art 84 Bk 3 Een zadel is een bestanddeel van een fiets. Hij is houder wanneer hij het zadel meeneemt. Wanneer hij het installeert is hij eigenaar, bezitter en houder. Art 14 Bk 5
Door het stuur eigenaar geworden door overdracht en van de zadel door het monteren.
2)
a. De eigenaar van deze motor is A. Door natrekking wordt er duidelijk dat er een onlosmakelijke fysieke band is tussen deze twee elementen. Dus de eigenaar is A. Art 14 Bk 5
b. Eigenaar is nog steeds A, totdat hij hem teruggeeft aan B. Door het monteren was hij eigenaar geworden en als je hem dan weer eruit haalt ben je nog steeds eigenaar. Als je hem teruggeeft is B weer eigenaar.
Casus 9
1)
a. Hij is bezitter, want hij heeft de bedoeling om eigenaar te zijn. Hij kan ook eigenaar zijn. Zie Art 7 BK 7. Titel is dus geldig en dus eigenaar. Levering Toegestuurd. Titel, levering en beschikkingsbevoegd.
b. Je bent nog steeds eigenaar. Alleen geen bezitter meer, want je bent het kwijt.
2)
a. De muur is een bestanddeel van zijn muur en door horizontale natrekking is Balkenstein eigenaar van de garagemuur.
b. Door verticale natrekking is het van mij. Het is een inbreuk op het eigendomsrecht, het is dan onrechtmatig. Art 6:162 of Art 5:54
c. Je moet aantonen dat je erg benadeeld wordt door de garagemuur. Zie hiervoor Art 5:54. Dan is je vorderingsrecht geldig.
d. Ik denk het niet, want hij heeft geen belang bij afbraak van de muur. Hij krijgt wel een vergoeding voor de geleden schade.
Casus 10
1+2) Art 3:84: Overdracht Geldige titel(Makelaar -> Koopovereenkomst -> Verbintenissen -> Nakomen -> Notaris -> Noteriële akte -> Wordt vastgelegd in het kadaster -> Dan eigenaar. Bedenktijd drie werkdagen(Bk 7). Beschikkingsbevoegd Levering. Art 3:89: De inschrijving in een kadaster daarna eigenaar.
2) Voor een levering van onroerende zaken moet er een notariële transportakte worden opgesteld en een inschrijving van de akte in de openbare registers plaatsvinden.
3) Bij een voorlopig koopcontract zijn alleen afspraken gemaakt over de prijs en dergelijke(verbintenissen rechten/plichten). Bij levering wordt er ook echt ingeschreven in de openbare registers dmv een akte(nakoming).

Ook moet je een akte tekenen bij de bank voor het hypotheekrecht, doe je ook bij de notaris.
4) Het contract sluiten kan wel, alleen je kan de verbintenissen niet nakomen dmv akte. Je zou dan eerst het huis moeten kopen om te kunnen leveren. Je kan dus wel een koopovereenkomst sluiten en op moment van levering moet je dan eigenaar zijn.
5) Ik ben het er niet mee eens. Het kan voorkomen dat dergelijke feiten niet zijn opgenomen in de openbare registers of niet juist. Als een derde dit dan raadpleegt kan hij dit natuurlijk niet weten. Dit geldt niet als hij dit wel hoort te weten. Zo kan je dus misleidt worden en vind ik dat er wel derdenbescherming is bij registergoederen. Erving wordt niet geregistreerd in het kadaster en kan je dus niet weten. Verjaring wordt ook niet geregistreerd, net als vervallen van hypotheekrecht. Alleen overdracht wordt geregistreerd dus bevat het kadaster fouten en is er derdenbescherming nodig.

Casus 11
1)
a. Art 3:84 Overdracht
Nodig: Geldige titel, beschikkingsbevoegdheid en levering. De titel is hier een koopovereenkomst. Een koopovereenkomst is een obligatoire, verbintenis scheppende overeenkomst. Bij levering wordt een notariële akte opgemaakt en doe moet worden ingeschreven in het kadaster Art 3:89. De transportakte is een goederenrechtelijke overeenkomst, want er is een overeenkomst en bij levering is er een goederenrechtelijke overeenkomst. Het is dus een goederenrechtelijke overeenkomst.
b. Koopovereenkomst
2)
a Bij een voorlopig koopcontract zijn alleen afspraken(rechten en plichten) gemaakt over de prijs en dergelijke(verbintenissen rechten/plichten). Bij levering wordt er ook echt ingeschreven in de openbare registers dmv een akte(nakoming).

b. Nee. Een akte dient niet alleen te ondertekend worden, maar ook worden ingeschreven in de openbare registers(kadaster).
3) V KK2 E lev E lev E
Bij eerste ovk een ontbindende voorwaarde. Bij het uitzetten van V uit de flat is de eerste overeenkomst ter vervallen. Dan is K geen eigenaar meer en is K2 ook geen eigenaar. Dit komt omdat K niet meer beschikkingsbevoegd is.
K2 zal zeggen dat het een mondelinge overeenkomst is tussen V en K en dat hij het niet weet. Deze afspraak had ook vastgelegd kunnen worden in het kadaster. Dit kan je K2 niet kwalijk nemen en heeft recht op derdenbescherming. Dit is te zien in Art 3:24: Bescherming bij onvolledige registers. Dus K2 is eigenaar door art 3:24. Was het wel ingeschreven, dan was V de eigenaar.
4)
a. V KK2 E lev E lev E
Bij wanprestatie kan je schadevergoeding, nakoming en/of ontbinding eisen. Dit heeft echter geen invloed op het eigendomsrecht. Dus K blijft de eigenaar. V is pas weer eigenaar als het wordt terug geleverd. K2 is dan gewoon eigenaar, want K is beschikkingsbevoegd omdat hij het eigendomsrecht heeft. Geen derdenbescherming nodig, want geldige titel, beschikkingsbevoegdheid en levering blijft bestaan.
b. Er is nu sprake van bedrog. De overeenkomst wordt dan vernietigd en dat is wel met terugwerkende kracht Ovk heeft dan eigenlijk nooit bestaan. Dus K is nooit eigenaar geworden en is dus nooit beschikkingsbevoegd geweest. K2 kan echter niet weten dat er bedrog heeft plaatsgevonden tussen K en V. Bij roerende zaken geldt 3:86. Bij onroerende zaken geldt 3:88. K2 moet dan te goeder trouw zijn en bij de vroegere overdracht moet dan de beschikkingsonbevoegdheid gelden. Als bijv V niet bevoegd was, gold dit niet! Alleen door de ovk moet de beschikkingsonbevoegdheid gelden. K2 is dus eigenaar geworden.
5) V K ovk
In de ovk staat bijna altijd dat er geen beroep op dwaling kan worden gedaan. Daarna geeft K vaak het hypotheekrecht aan de bank. Als de ovk door dwaling zou vervallen, zou ook het hypotheekrecht vervallen van de bank en dan krijgt de bank geen geld.
Casus 12
1) Een loods is een onroerende zaak en de levering wordt dus geregeld door een notariële transportakte en inschrijving van de akte in de openbare registers. Het terrein wordt geleverd! Art 3:89
2) Ja, het verstrekken van een opstalrecht. Daarbij splits je de grond en het gebouw(ben je ook eigenaar). Erfpacht kan ook, dan lever je het hele terrein + gebouw(maar geen eigenaar).
3) Levering onroerende zaken: 3:89
Levering roerende zaken: 3:90 Fysiek overdragen
3:115: a: c.p. levering: Je was bezitter, je wordt houder. b: traditio brevi manu: Je was houder, je wordt bezitter. c: traditio longa manu: Een derde is houder waar je het op kan halen.
Je wordt hier houder en je was bezitter. Het is dus een c.p. levering.
4) Een akte van cessie + mededeling aan debiteur Art 3:94
5) Traditio brevi manu: Hij was houder, hij wordt bezitter. Art 3:115 b

6) Traditio longa manu: Ophalen bij een derde, die houder is. Art 3:115 c
7) Traditio brevi manu: Je was houder, wordt bezitter. Art 3:115 b
Casus 13
Derdenbescherming bij roerende zaken.
1) A is de eigenaar. B is de houder. B gaat zich echter als bezitter gedragen, want hij geeft hem weg aan C. C denkt dat aan 3:84 is voldaan: Geldige titel, beschikkingsbevoegd en levering. B is echter niet beschikkingsbevoegd. C denkt dat hij zich kan beroepen op 3:86(derdenbescherming). Als je bescherming wilt hebben moet het gaan om 1)een roerende zaak, 2)het moet geleverd zijn(niet cp levering), 3)je moet er voor betaald hebben(om baat) en 4)je moet te goeder trouw zijn. C heeft er niet voor betaald en is dus geen eigenaar, dat is A, kan het terugvorderen. 3:86 lid 1
-----------
Tenzij: 3:86 lid 3 diefstal, kan de eigenaar het 3 jaar nog opeisen.
Uitzondering daarop: Als je koopt als consument bij een winkelier, dan ben je wel eigenaar en kan de vorige eigenaar het niet opeisen.
De vier voorwaarden van 3:86
- Roerende zaak
- Het moet geleverd zijn(GEEN CP LEVERING)
- Je moet er voor betaald hebben(om baat)
- Je moet te goeder trouw zijn
2) Dan is er aan de 4 voorwaarden van 3:86 voldaan, dus dan is C eigenaar. A kan er wat aan doen als hij gestolen is, maar dat is hij niet.

3) Hij is geleverd door c.p. dus de eigenaar is A. Kijk bij de vier voorwaarden bij 1.
4) B is wel eigenaar geworden volgens eigendomsoverdracht, want het is gewoon een geldige titel. Derdenbescherming geldt hier nog helemaal niet, omdat het nog niet verkocht is aan een derde.
5) A draagt over aan B dmv c.p. Er is een contract gesloten en geleverd. De titel is echter nietig, dus B is nooit eigenaar geweest en A blijft daar Eigenaar. A levert daarna aan C via c.p. Er is een titel, beschikkingsbevoegd en levering. Dus C is eigenaar en A is houder.
6) Ik denk dat C eigenaar van het hout is. Als hij dmv onderzoeksplicht er niet achter kan komen dat de goederen via cp aan B zijn geleverd, is hij ten goede trouw en zijn de goederen van hem door derdenbescherming. Hij voldoet aan de 4 voorwaarden. (Levering aan C gaat via feitelijke overdracht).
7) De ring is van B. De ring is onder geldige titel overgedragen, beschikkingsbevoegd en levering. Hij heeft ook aan de 4 voorwaarden voldaan en er is geen sprake van diefstal. Dus B is eigenaar
8) Marijn is een geldige eigenaar geworden door te voldoen aan de 4 eisen en er is sprake van overdracht. Vincent is dus eigenaar geworden, omdat C de eigenaar is geworden. Er is hier sprake van een 4e schakel.
Casus 14
1) Broer Jansen had de kan in bruikleen gegeven aan antiquair Jansen. De broer is eigenaar en de antiquair heeft hem verkocht aan Jan. Hij gedraagt zich dus als houder en bezitter. Op grond van artikel 3:84 is Jan geen eigenaar geworden, doordat de antiquair niet beschikkingsbevoegd zijn.
Op grond van artikel 3:86 lid 1 is hij echter WEL eigenaar geworden. Door bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid moet je voldoen aan de eisen van 1) roerende zaak 2) levering(niet cp) 3) om baat 4) goede trouw. Hij voldoet aan alle eisen dus Jan is eigenaar geworden.
Broer Jansen kan hem dus niet terugkrijgen, omdat door normale overdracht en schenking de zus van Willems eigenaar is geworden door rechts geldende overdrachten.
Broer Jansen kan wel schadevergoeding vragen van antiquair Jansen, omdat die zijn contract niet nakomt en dus wanprestatie levert(staat ergens in de wet)

2) A was eigenaar en gaf hem in bruikleen aan P. P verkoopt hem dan aan Willems. Net als de vorige vraag is Willems niet volgens 3:84 eigenaar geworden en ook niet op grond van 3:86 lid 1. Willems is dus geen rechtmatige eigenaar geworden, want hij is niet te goeder trouw. Er is namelijk bewijs dat dat ding 3000 euro waard is en dat had hij moeten weten. A kan hem dus revindiceren.
3)
a. Nee, de termijn bij diefstal is 3 jaar. Het is nu al 4 jaar gestolen. Hierdoor kan de eigenaar het niet meer vorderen. De nieuwe eigenaar is op grond van art 3:86 lid 1 + lid 3 eigenaar geworden.
b. Nee, blijft eigenaar.
Casus 15
1) TK D ???? winkel Klant eig bez bez! Bez! Eigenaar(Art 3:86 lid 3)
Normaal gesproken kan de bestolen eigenaar haar bezit nog terugvorderen in een termijn van 3 jaar. Echter geldt hier een uitzondering: De eigenaar kan geen gestolen eigendom terugvorderen als de zaak door een particulier is gekocht in een winkel, waar normaal dit soort artikelen worden verkocht. Dan is het eigendom dus overgaan op de koper bij de winkel. De bestolen eigenaar kan wel de winkel aanspreken voor schadevergoeding vanwege onrechtmatige daad.
Casus 16
1) A en B zijn concurrente schuldeisers. Dit houdt in dat ze een proportioneel bedrag terugkrijgen van wat ze uitgeleend hebben. In dit geval krijgt dus A €2000 euro en B €1000 euro, zodat ze beide 50% hebben gekregen. Het tijdstip bij concurrente schuldeisers maakt niet uit. Volgens Art 3:277 hebben schuldeisers een onderling gelijk recht, om de netto-opbrengst naar evenredigheid te verdelen, behoudens schuldeisers die voorrang hebben.
2)
a. Als A niet bereid is zijn schulden te bepalen, dan heeft C het recht van parate executie. Dit houdt in dat C de verpande goederen kan verkopen op een openbare veiling als de schuldenaar(A) in verzuim is. Dit is te zien in artikel 3:248 lid 1. B zou een executoriale titel kunnen aanvragen bij de rechter na verscheidene aanmaningen. Hiermee ben je bevoegd tot executie van evt spullen.
b. Bij faillissement gaat het pandrecht voor een concurrente schuldeiser. Dit houdt dus in dat C de verpande goederen kan verkopen, zonder te bemoeien met de curator. Zie hiervoor art 57 Faillissementswet
3)
a. Er is hier sprake van een vuistpandrecht. Het zekerheidsobject is in macht van een derde. Zie hiervoor artikel 3:236.
Pandrecht Roerende zaken & Vorderingen, merken etc
Roerende zaken Vuistpand & Bezitloos pandrecht
Vuistpand ‘’uit de macht’’ pandgever
Bezitloos pandrecht ‘’akte’’
Vorderingen Openbaar & Stil pandrecht
Openbaar pandrecht ‘’Akte + mededeling’’
Stil pandrecht ‘’Alleen akte’’
b. A is de bezitter. A is de eigenaar, maar ook bezitter. C is de houder en pretendeert niet de eigenaar te zijn. Er geldt een beperkt recht op de meubelen.
4) Openbare verkoop is de regel. Je mag pas als onderhands verkopen als de geldlener in gebreke is. Deze afspraak is dus ongeldig. Art 3:251 + 3:250
5) Ja, Art 3:251 lid 1 dit mag alleen als de voorzieningenrechter het goedt vind. Hij kijkt dan of de prijs marktconform is.
6)
a. Ja, de 4e voorwaarde van overdracht luidt dat de koper te goeder trouw moet zijn. Dat is D dus niet. A kan het eisen, want die is de eigenaar. B kan het ook eisen, want die is de pandhouder. Zie hiervoor Art 3:245.
b. Ja, de overdracht is nooit geldig geweest. C is namelijk nooit beschikkingsbevoegd geweest en is dit dus geen geldige overdracht. Echter op art 3:86 is D wel eigenaar geworden. A en B kunnen dit niet terugvorderen, maar ze kunnen wel een schadevergoeding eisen bij C.
Casus 17
1)
a. Voorraden Bezitloos pandrecht, ze hebben de goederen niet. Mogen ze wel weghalen als het misgaat.
Vordering op naam (Openbaar pandrecht) óf stil pandrecht. Ligt eraan wat de pandgever wil.
Bij deze 2 pandrecht moet er een vertrouwensrelatie zijn. Bank moet er op vertrouwen dat de klant nieuwe voorraden produceert en andersom moet de klant vertrouwen dat … ?
b. Normaal pandrecht: Pandgever geeft goederen in pand aan de pandnemer.

Roerende zaken
Vuistpandrecht: Pandgever geeft goederen fysiek in pand aan de pandnemer/derde, ook met akte(Openbaar)
Bezitloos pandrecht: Opmaken van akte en pandgever geeft niet fysiek de goederen in pand aan de pandnemer, omdat dan bijvoorbeeld de bedrijfsactiviteiten moeten staken. (Stil) Geeft geen derdenberscherming!

Vorderingen
Openbaar pandrecht: Vordering op naam wordt in pand gegeven aan de pandnemer, met een mededeling aan de debiteuren. (Ook met akte opgesteld)
Stil pandrecht: Vordering op naam wordt in pand gegeven aan de pandnemer, zonder een mededeling aan de debiteuren. (ook met akte opgesteld). Geeft geen derdenbescherming!
Hoe kom je aan pandrecht? Art 3:84, 3:98
Leverancier(Eigendomsvoorbehoud) --------- > A ---------- > Bank (Bezitloos pandrecht dmv akte) €100.000
Wie wint er? De leverancier, want op basis van Art 3:84 ontbreekt de beschikkingsbevoegdheid van de bank. De leverancier is namelijk nog eigenaar van de goederen.
3:238: zelfde als Art 3:86 dus dezelfde voorwaarden gelden, behalve om baat want je betaalt niet. Levering(niet cp) en levering(niet bezitloos pandrecht), dus geen derdenbescherming! De vier voorwaarden zijn gegeven bij een andere casus.
2) Het is mogelijk om de toekomstige voorraden te panden. Het gaat hier dan om bezitloos pandrecht. Art 3:97 in combinatie met art 3:98. De pandhouder wordt pandhouder op het moment dat er een nieuwe vordering is en/of nieuwe voorraden zijn, dmv art 3:84.
3) Het voordeel van stille verpanding is een goed imago, omdat de klanten het dan niet weten. Voor de bank betekent het minder zekerheid, omdat de klanten dan aan de pandgever betalen, omdat ze het niet weten. Hierdoor kan de bank het geld kwijtraken, omdat de pandgever er wat anders meedoet.
Casus 18
1) Pandhouder 1: Industriebank, de oudste
Pandhouder 2: Snelgeld
Twee soorten akten: Onderhands en authentieke akte
Authentieke akte bij de notaris, vertrouwelijk omdat er een onbetwiste datum instaat.
Onderhands gaat tussen de pandhouder en pandgever. Hier is pas een datum bepalend als je hem laat regristeren.
De industriebank krijgt als eerst, omdat die het oudst is. Als er wat over is gaat het naar Snelgeld.

2)
a. Ja, Bk 6 Je bent van je schuld verlost als je betaalt aan een onbevoegde. Art 6:34. Een belangrijke voorwaarde is te goeder trouw.
b. Nee, dit komt omdat hij nu niet meer te goeder trouw is en dan heb je niet bevrijdend betaalt.
3) Dit kan natuurlijk wel, kijk hiervoor Art 3:97 en Art 3:98. Schakelbepaling!
Casus 19
1) Ja, door art 3:97 en 3:98. De pandhouder wordt eigenaar als de pandgever eigenaar wordt.
2) Hier geldt geen eigendomsvoorbehoud. Drijver is dus eigenaar geworden, wanneer er geleverd wordt. Hierdoor heeft de bank een geldig pandrecht, omdat de pandgever eigenaar geworden is. De bank gaat hier dus voor.
3) Bakkelei, als de ovens nog niet geïnstalleerd zijn. Drijver is namelijk geen eigenaar geworden. De bank heeft een bezitloos pandrecht en volgens artikel 3:238 heeft bezitloos pandrecht geen recht op derdenbescherming.
4) Drijver, als de ovens geïnstalleerd zijn. Hij is eigenaar van de grond en dus van de gebouwen. De ovens zijn onroerend geworden en vallen dus niet meer onder het pandrecht. Wel zou het onder een hypotheekrecht kunnen vallen.
Casus 20
1)
a. Nee, B heeft geen hypotheekrecht verkregen. Hiervoor is inschrijving vereist en dit is daarna pas gebeurd. Op 12 mei is hij failliet en is dus onbevoegd om hypotheekrecht te geven aan de bank. 3:84
Voorwaarden: Titel, bevoegdheid, vestiging.
b. Ja, er is wel een hypotheekrecht verkregen. Hiervoor is een akte én inschrijving vereist en dit is beide gebeurd(Dit zijn niet de voorwaarden!). Hij is nu wel bevoegd om een hypotheekrecht te geven, omdat hij eigenaar geworden is door het tekenen van de akte.
2) Volgens art 3:268, kan de hypotheekhouder een recht van parate executie uitoefenen als de hypotheekgever in verzuim is. Dit houdt in dat de hypotheekhouder het huis kan verkopen. Dit dient echter volgens art 3:268 lid 1 in het openbaar te gebeuren, waar een notaris bij is. Eventueel kan een onderhandse verkoop worden bedongen bij de voorzieningenrechter.
3) Ja, want A was nooit bevoegd om het huis te verhuren en dus is die overeenkomst nietig. Dit komt omdat er een huurbeding zit in de openbare registers 3:264. De bank kan C dus eruit gooien als het huurrecht later is dan het hypotheekrecht.
4) De hypotheekhouder(B) kan gewoon executeren. De schuldenaar is namelijk in verzuim, dit is te zien in art 3:268
Casus 21
a. Onjuist, Arend was nooit beschikkingsbevoegd en kan de vestiging van het hypotheekrecht nooit plaats vinden. Art 3:98 & 3:84. Echter, het huis was nog niet geleverd en het eigendom is dus nog niet overgedragen. Het hypotheekrecht is dus geldig.
b. Juist, want het hypotheekrecht is geldig en dan heb je recht op parate executie. Hypotheekrecht is ouder dan het eigendomsrecht
c. Onjuist, het recht blijf je houden
d. Onjuist, het oudste recht is hypotheekrecht en niet het eigendomsrecht.
Casus 22
1) Het huurbeding: De hypotheekgever mag het pand niet verhuren aan iemand anders. Anders kan het alleen als verhuurd pand verkocht worden en ins het minder waard.

Het beheersbeding: Geeft de hypotheekhouder het recht het pand in rechterlijke machtiging in beheer te nemen, als de hypotheekgever erg tekortschiet. Bijv achterstallig onderhoud.
Ontruimingsbeding: De hypotheekhouder is bevoegd de zaak onder zich te nemen als dat nodig is met de executie.
Beding tot niet verandering: Het bezwaarde goed niet zonder toestemming van de hypotheekhouder mag veranderen.
Art 3:264, Art 3:265, art 3:267.
2) – Een rechtsgeldige titel;
- Beschikkingsbevoegdheid
- een vestigingshandeling
- Inschrijving in het kadaster (art 3:98 & 3:84 & 3:260)
3) Hypotheekrecht kan pas ingeschreven worden als er een transportakte is gegeven. Anders is de hypotheekhouder nog geen eigenaar. Als eigenaar kun je je eigendom beperken dmv hypotheekrecht.
Casus 23
1) Nee. Je kunt het wel verkopen, alleen je raakt het niet kwijt. Het hypotheekrecht van D blijft bestaan, omdat die niet afbetaald kan worden met de opbrengst. Niemand wil een huis kopen met een hypotheek erop. Het is in theorie dus wel mogelijk, maar niemand doet het.
2) Dit kan nadelig zijn voor D’s positie, omdat bij openbare verkoop het hypotheekrecht gezuiverd wordt en hij dus geen hypotheekrecht meer heeft. Art 3:273. Hierdoor heeft D nog een vordering, maar geen hypotheek meer op het huis en dat is nadelig. D kan hier wel wat aan doen, door het huis zelf te bieden, waardoor de opbrengst misschien hoger wordt.
Casus 24
Tegelfabriek ------ > B ----- > H ----- > S
T B Eigendomsvoorbehoud
B H Vuistpandrecht
B S Bezitloos pandrecht
1) Volgens Art 3:92 is een eigendomsvoorbehoud bij overdracht geen eigendom verleent. Hierdoor is B dus houder geworden.
2) Er moet sprake zijn van een rechtsgeldige titel, beschikkingsbevoegdheid en een vestigingshandeling. De vestigingshandeling is hier het feitelijk overdragen van de tegels, echter was B wel beschikkingsonbevoegd. Het is echter wel geldig, doordat H recht heeft op derdenbescherming. Art 3:98 & 3:84 & 3:238
3) De betaling van de koopprijs aan Houthandel is uitgebleven. Hij is wel eigenaar geworden volgens de normale regels en heeft het dus geen gevolgen.

4) Contract ontbinden of recht van reclame uitoefenen. Recht van reclame is beter.
5)
a. Privilege is een wettelijk voorrecht en geeft voorrang in het faillissement. Een zekerheidsrecht moet je bedingen en geeft je een positie van separatist in een faillissement. Dit regel je dus buiten de curator om en bij een privilege dus niet.
b. Personeelsleden hebben een wettelijk voorrecht. En de bank heeft een geldig pandrecht en dus separatist. Het geld zal dus gaan naar de bank, omdat die buiten de curator om zijn geld krijgt.
Casus 25
1) Hoe wordt het aangevraagd: Je moet het laten doen door een advocaat. (Art 5 FW).
Welke rechter: De rechter in de woonplaats des schuldenaars (Art 2 FW). Een faillissement kan aangevraagd worden door:
- De schuldenaar zelf; als het een rechtspersoon is door het bestuur.
- Door een of meerdere schuldeisers
- Door het Openbaar Ministerie in het algemeen belang(Art 1 lid 1 en 2 FW)
Een faillissement behoort aangevraagd te worden bij de rechtbank van de woonplaats van de schuldenaar(Art 2 FW). Wil de rechtbank het faillissement uitspreken, dan moet aangetoond worden dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen als een schuldeiser het verzoek doet van diens vorderingsrecht. (Art 6 lid 3 FW). Ook moet de schuldenaar opgeroepen worden om gehoord te worden over de aanvraag. (Art 6 lid 1 FW).
2) Bijzonder beslag: Er wordt beslag gelegd op bepaalde vermogensbestanddelen van de schuldenaar ten behoeve van de beslag hebbende schuldeiser. Deze kunnen dan worden verkocht en mag de vordering uit de opbrengst halen. Dit beslag geldt echter niet meer in het faillissement, omdat er dan meerdere schuldeisers zijn.
Algemeen beslag: Er wordt beslag gelegd op het gehele vermogen van de schuldenaar ten behoeve van alle schuldeisers. Dit is dan ook het faillissement.
3) Ja, je kan op basis van 1 schuldeiser failliet worden verklaard. (Art 1 FW). De schuldeiser zou dan moeten aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen als een schuldeiser het verzoek doet van diens vorderingsrecht. Daarvoor heb je nodig 2 schulden en 2 schuldeisers. (Art 6 lid 3 FW) Als er 1 schuld is kan je via een bijzonder beslag je geld halen.
4) Ja, hij heeft zelf een vordering en er zijn ook meerdere schulden en schuldeisers.
5) Het is mogelijk, als er maar 1 vordering wel opeisbaar is. Het hoeft niet eens van de aanvrager te zijn.
6)
a.
Het vermogen in de zin van artikel 20 houdt in het gehele vermogen van de schuldenaar. Dit kan zijn geld, maar ook voorraden, pand en dergelijke die verkocht kunnen worden. Alles wat ten gelde gemaakt kan worden, zoals bezittingen, vorderingen en dergelijke.
b. Het loon dat nodig is voor levensonderhoud voor de failliet valt buiten het faillissement. Zie hier voor Art 21 2e uitzondering. De rechter-commissaris staat boven de curator en die bepaalt hoeveel geld nodig is voor levensonderhoud.
c. Deze verdiensten vallen in het faillissement, omdat het gehele vermogen van de schuldenaar in het faillissement valt. Hieronder valt ook het vermogen van de getrouwde. Zie hiervoor art 22 FW. d1. Ja de prijs valt in de boedel, omdat je het tijdens het faillissement verwerft. Zie hiervoor Art 20 FW. d2. Ja, je inleggeld krijg je wel terug. Je kosten die je gemaakt hebt krijg je terug. Zie hiervoor Art 24 FW. e1. Erfenis Verkrijging onder algemene titel. Als de schulden groter zijn dan wat hij krijgt, is het een nadeel. De curator mag het alleen aanvaarden als het een positief saldo is en bij een negatief saldo niet. Zie hiervoor Art 41 FW lid 1. e2. Volgens Art 41 FW lid 2 kan dit verworpen worden door de toestemming van de rechter-commissaris.
Casus 26
1) Het gevolg van de arbeidsrechtelijke positie is dat de curator en de werknemer allebei het contract kunnen opzeggen. Zie hiervoor Art 40 FW. Als dit gebeurt wordt het achterstallig loon op de stapel gelegd. Het loon wordt eerder betaald dan normale schuldeisers en valt onder de boedel onder categorie 4. Art 40 lid 2 FW
Faillissement heeft 2 stapels. Een stapel die buiten de boedel valt en een stapel die binnen de boedel valt. Binnen de boedel heeft een bepaalde volgorde, die buiten de boedel valt niet.
Volgorde binnen de boedel:
1 Boedelschulden(Salaris curator en kosten samenhangend aan de curator)
2 Fiscus(Algemeen privilege met hoge prioriteit)
3 Bijzondere privileges(Art 3:283 e.v.)
4 Algemene privileges(Art 3:288 e.v.)
5 Concurrente crediteuren
Schuldeisers buiten de boedel om(Gaan als eerste, kunnen hun gang gaan buiten de curator om):
- Seperatisten(Hypotheekhouder en pandhouder)
- Leverancier met eigendomsvoorbehoud
- Huurkoop
- Recht van reclame
- Recht van retentie
- Gebruik van compensatie
2) Dan ga je niet leveren. Je beroept je dan op opschorting van je plichten. Dit is te zien in Boek 6. Je moet van de curator weten hoeveel geld erover blijft. Als hij zegt dat hij nakomt is het een boedelschuld(categorie 1). Als hij zegt dat hij niet nakomt kan je ontbinden(wanprestatie) en hoef je niet te leveren. Als je schade hebt geleden kan je hem indienen en valt het onder concurrente crediteuren. Kans dat je dan wat krijgt is nihil.
3)
a. Je kunt faillissementen vinden op de website van de rechtbank. Als dit geplaatst is en je had het kunnen weten, moet je nog een keer betalen. Zie hiervoor Art 52 FW. Je moet 10000 betalen, want 5000 is wel in goede handen gekomen.
b. Verkoop is geldig alleen Ed is niet bevoegd namens de boedel te handeren. Je kan dus niet leveren.
4)
a. Ja, Art 39 FW. Zowel de curator als de verhuurder kan het contract beëindigen.
b. Huurtermijnen na het faillissement zijn een boedelschuld(cat 1). Daarvoor ben je een concurrente crediteur(cat 2).
5) Bij Huurkoop kan je het best ontbinden en je eigendom opeisen, omdat je zelf nog eigenaar bent. Moet je wel sneller zijn dan anderen.
6)
a + b. Nee, dat bepaalt de curator. Als je ergens goedkoper kan huren bepaalt de curator dat de huurbescherming niet geldt.
Casus 27
Niet voor het tentamen. Actus Pauliana(?) niet kennen.
6.9 en 6.10 ook niet kennen.
Casus 28
Alleen hypotheek en pand kennen.
Casus 29
1) Is een boedelschuld, categorie 1, omdat curator zegt dat het betaald wordt.
2) Algemeen privilege, categorie 4, Bk 3:288 ev
3) Je kunt dit compenseren(buiten de boedel), het te vorderen saldo valt onder concurrente crediteuren, categorie 5.
4) Het is een huurkoop, dus kan als eigenaar de zaak terugeisen. Schade geleden? -> Concurrente crediteur, categorie 5.
5) Bijzonder privilege, Art 3:285. Melden bij curator, categorie 3.
6) Retentierecht, je krijgt het pas mee als je alles betaald hebt.
Casus 30
Niet voor tentamen.
Casus 31
1) Aan de verkoop gaat beslagleging vooraf. De deurwaarder kan pas tot beslaglegging overgaan als het vonnis is betekend aan de veroordeelde. (art. 430 lid 3 Rv)
2) Roerende zaken worden in het openbaar bij opbod verkocht (art 463 en 469 Rv)
3) Omdat het conflict is dat voortkomt uit een huurovereenkomst
4) Het Gerechtshof (in Amsterdam) omdat hoger beroepzaken van de rechtbank daar worden behandeld.
Casus 32
1) Aangezien de rechter lijdelijk is, dient hij de erkende of niet betwiste feiten als vaststaand aan te nemen. Dus niet de werkelijke toedracht, de materiële waarheid, staat centraal, maar de formele waarheid, de toedracht zoals die blijkt uit de gegevens die door partijen zijn aangebracht.
2) Onverstandige handelwijze. Bij afwezigheid van de gedaagde zal de rolrechter verstek verlenen en een datum bepalen waarop het verstelvonnis zal worden gewezen. De vordering van de eiser zal dan worden toegewezen, tenzij de eis de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
3)
a. Onjuist; procesvertegenwoordiging is slechts verplicht voor de eisende partij.
b. Onjuist; wel mogelijkheid tot hoger beroep. Dit heeft echter geen schorsende werking.
4)
a. Hoger beroep en cassatie
b. Gerechtshof resp. Hoge Raad
c. 3 maanden
5)
a. Rechtbank Middelburg. (woonplaats gedaagde)
b. Hoger Beroep bij het Gerechtshof.
c. Verzet, blijkbaar heeft zij verweer gevoerd en dus het geding betreft een geding op tegenspraak.
6) De arbitrage-uitspraak heeft de vorm van een vonnis dat ten uitvoer kan worden gelegd na toestemming (exequatur) van de president van de rechtbank. Het bindend advies is geen vonnis, maar wordt een onderdeel van de overeenkomst. Nakoming kan eventueel via de rechter gevorderd worden op grond van wanprestatie.
7)
a. Acties uit onrechtmatige daad worden aanhangig gemaakt middels een dagvaarding.
b.
● het beginsel van hoor en wederhoor. Derks heeft geen kennis kunnen nemen van de brief van Van der Veen
● de uitspraak dient in het openbaar te geschieden
● de uitspraak dient gemotiveerd te zijn
● partijen zijn vrij de procedure op ieder gewenst tijdstip voor de uitspraak te beëindigen
● de rechter kan niet meer toewijzen dan geëist
c. De rolrechter zal verstek verlenen en de datum bepalen waarop het verstekvonnis zal worden gewezen
d. Hoger beroep bij het Hof eventueel daarna cassatie bij de Hoge Raad e . Van der Veen kan executoriaal beslag laten leggen op de goederen van Derks. Een eventuele openbare verkoop kan echter pas plaatsvinden als het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan of uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
8)
a. Ja, krakers kunnen anoniem worden gedagvaard (art. 4 lid 12 Rv)
b. Reële executie met behulp van een deurwaarder en zo nodig politie
c. Indien er sprake is van een opgelegde dwangsom kan deze bij het overtreden van het verbod worden verbeurd en door reële executie worden geïnd
d. Bij de president van de rechtbank in kort geding (voorzieningenrechter) in Amsterdam
e. De uitspraak van de president is uitvoerbaar bij voorraad. Het instellen van hoger beroep heeft geen schorsende werking

Similar Documents

Free Essay

Privaatrecht

...Privaatrecht voor niet-juristen HC-1 - Onrechtmatige daad en kwalitatieve aansprakelijkheid Ieder draagt zijn eigen schade, tenzij er sprake is vergoedingsmechanismen zoals: * Private verzekeringen * Sociale zekerheid * Aansprakelijkheidsrecht Art. 6:162 BW “Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden. Schade * Vermindering in object. ‘Feitelijk nadeel.’ * Schade bestaat uit: * Vermogensschade * Ander nadeel (Art. 6:95 BW) * Benadeelde zoveel mogelijk brengen in de vermogensrechtelijke positie waarin hij zonder onrechtmatige daad zou hebben verkeerd. * Vergelijking situaties mét en zonder onrechtmatige daad. Verschil is de schade. Causaal verband Zou de schade ook zijn ontstaan indien onrechtmatige daad niet zou zijn gepleegd? Ja? Dan geen causaal verband: HR 1990 (aanrijding en hartinfarct) + RB 2009 (mishandeling + studievertraging) Onrechtmatigheid (HR 1994 Lambregts/Moerdijk) “De enkele omstandigheid dat een handeling plaats heeft gevonden als gevolg waarvan iemand schade lijdt, brengt nog niet met zich mee dat een op onrechtmatige daad gegronde afspraak op vergoeding daarvan bestaat”. Onvoldoende is dus alleen de handeling met schade tot gevolg (!) Wanneer wel? Bushalte arrest “Het nemen van meer risico dan redelijkerwijs verantwoord is. HR 1965 Kelderluik arrest * De mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming...

Words: 1554 - Pages: 7

Free Essay

Recht Week 1

...Inleiding recht Wanneer iemand levenslang krijgt is het echt levenslang. En wordt die absoluut niet eerder vrij gelaten. Tenzij: gratie (koningin) Functies van het recht: Normatieve functie; dat er bepaalde ethische gedragingen rechtsvormen(moord, doodslag, verkrachting) als je die overtreed zijn er regels voor. Geschiloplossende functies: onenigheid met elkaar, je komt er niet uit. Ga je naar de rechter. Oplossende functie. Additionele functie: een aanvullende functie. Onenigheid terwijl er niks op papier staat. Op het moment dat je als partijen niks hebt geregeld en niks op papier staat verval je terug op bepaalde wetten. Instrumentele functie: bijv. als je door roodlicht rijdt, wordt het beboet. Bronnen van het recht: De wet: wetgevers: - regering + statengeneraal(1e en 2e kamer) - regering ( koning , ministers, staatssecretarissen) - minister - provincie (provinciale staten) - gemeente (gemeentelijke verordening) wet in materiële zin: - regering + SG = nationale wetgever, wet in formele zin - regering (koninklijk besluit. Algemene maatregel van bestuur -minister: ministeriële regering (van het hele land) - provincie: provinciale verordening (van provincie) ...

Words: 820 - Pages: 4

Free Essay

Samenvatting Rechten

...Samenvatting Vermogensrecht Hoofdstuk 1 Rechtsregels: Regels die als zodanig worden erkend en door rechters en andere autoriteiten worden toegepast en afgedwongen. Bijv. Rechts houden op de openbare weg. Publiekrecht: Dit regelt de verhouding tussen overheid en burger en de organisatie van de verschillende overheidsorganen. Hieronder vallen het staatsrecht, het bestuursrecht, het belastingrecht en het strafrecht. De regels van dit publiekrecht zijn altijd dwingend. Privaatrecht: regels wat betreft de onderlinge verhouding van mensen. Het burgerlijk wetboek en het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn wetten die onder het privaatrecht valt. Onder het privaatrecht vallen personen- en familierecht, vermogensrecht, ondernemingsrecht. Bijv. wie iets koopt moet daarvoor een koopprijs betalen. Dwingend recht: Men mag niet van de rechtsregel afwijken. Aanvullend recht: Van toepassing wanneer partijen zelf geen regeling hebben getroffen. Materieel Recht: Beschrijft de inhoud van de rechtsregel. Objectief Recht: Het geheel van geldende rechtsregels. Het omschrijft de bevoegdheden waarop personen recht hebben. (Law) Subjectief Recht: Bevoegdheid die een rechtssubject aan het objectieve recht ontleent. Zoals mijn recht op loon of mijn recht op koopsom. (Rights) Wet in Formele zin: Alles waar het woord ‘’wet’’ in voorkomt. Wet die tot stand is gekomen in samenwerking tussen regering en Staten-Generaal. Wet in materiële zin: Wet die iedereen moet nakomen. Jurisprudentie(rechtspraak):...

Words: 6321 - Pages: 26

Free Essay

Olom

...OPDRACHT AWV 2 Sayd Menawari 2043831 Madri Pabbi Chayo Leito 1) A geeft zijn jas af in de bewaakte garderobe van het vijfsterrenhotel B. Naast de garderobe hangt een duidelijk leesbaar bordje met de tekst ‘de directie is niet aansprakelijk voor vermissing en/of diefstal van uw goederen’. Als A na zijn diner terugkomt bij de garderobe is zijn jas verdwenen. Door onoplettendheid van het hotelpersoneel is deze door een andere bezoeker gestolen. Ten opzichte van A kan hotel B zich beroepen op I overmacht II de gehanteerde exoneratieclausule (beding tot uitsluiting van aansprakelijkheid). Stellingen: juist of onjuist? Waarom? Motiveer uw antwoord. a. Stelling I en II zijn juist. b. Stelling I is juist, II is onjuist. c. Stelling I is onjuist, II is juist. d. Beide stellingen zijn onjuist. I=onjuist omdat hij zich niet kan beroepen op overmacht. Artikel 6:75 BW toerenbare tekortkoming in de nakoming. Geen overmacht, want er is sprake van onoplettendheid van het hotelpersoneel 6:75. II=onjuist Het is van belang hier om de grijze lijst van de algemene voorwaarden te raadplegen: deze beding komt voor in de op grijze lijst art 6:237 onder f wat dus inhoudt dat het kennelijk onredelijk bezwarend wordt geacht, het is dus vernietigbaar maar niet nietig. Gezien de omstandigheden is een beroep op de bovenstaande exoneratie clausule echter in de strijd met de redelijkheid en billijkheid op grond van art 2:248 lid 2 BW: derogerende werking van de goede trouw...

Words: 2361 - Pages: 10

Premium Essay

Law Essay

...Copyright and the Internet Hector L MacQueen*(* LLB (Hons), PhD, FRSE, Professor of Private Law, University of Edinburgh, email hector.macqueen@ed.ac.uk. This is a substantially revised, updated and rewritten version of the chapter which appeared under the same title in L Edwards and C Waelde (eds), Law and the Internet: Regulating Cyberspace (1997). I am grateful to those who commented upon that earlier version, to those who sent me information about developments on the Internet (especially Dr Athol Murray), and to the editors once again for their help, guidance and patience over a prolonged period.) Introduction A major issue for copyright lawyers at the present time is how to deal with the rapid development of the Internet and the prospect of the ‘information superhighway’, world-wide telecommunications systems which permit the rapid, indeed virtually instantaneous transmission around the world, at times chosen as much by individual recipients as by transmitters, of information and entertainment in all media - print, pictures still and moving, sound, and combinations thereof. The issues are manifold. Is the ease of perfect reproduction and manipulation of material in the digital form used by our communications systems the death-knell of the whole basis of copyright? Are we at least going to have to reconsider such fundamentals of copyright law as what constitutes publication, copying and public performance, or the old distinctions between categories of work such as literary...

Words: 22271 - Pages: 90

Free Essay

Maritime Liens in the Conflict of Laws

...MARITIME LIENS IN THE CONFLICT OF LAWS (final version published in J.A.R. Nafziger & Symeon C. Symeonides, eds., Law and Justice in a Multistate World: Essays in Honor of Arthur T. von Mehren, Transnational Publishers Inc., Ardsley, N. Y. 2002 at pp. 439-457) Prof. William Tetley, Q.C.* INDEX I. II. Preface - Homage to Arthur T. von Mehren Introduction - Maritime Liens 1) 2) III. Civilian origins of maritime liens Characteristics of maritime liens Maritime Liens as Sources of Conflicts of Law 1) 2) 3) The differing scope of "maritime liens" Other maritime claims Different ranking of maritime liens and claims IV. V. VI. VII. The United Kingdom - The Lex Fori The United States - The Proper Law Canada Some Other Jurisdictions 1) 2) 3) 4) 5) China Israel Greece Sweden The Netherlands VIII. The Rome Convention 1980 IX. * Conclusion Professor of Law, McGill University; Distinguished Visiting Professor of Maritime and Commercial Law, Tulane University; counsel to Langlois Gaudreau O'Connor of Montreal. The author acknowledges with thanks the assistance of Robert C. Wilkins, B.A., B.C.L., in the preparation and correction of the text. -2- MARITIME LIENS IN THE CONFLICT OF LAWS Prof. William Tetley, Q.C.* I. Preface - Homage to Arthur T. von Mehren I am honoured to contribute to Prof. Arthur von Mehren's festschrift. On occasion, I have leaned upon and even borrowed (with great benefit and I hope with complete citation), his writings and, for example, have...

Words: 12945 - Pages: 52

Free Essay

Business En Ethiek

...BUSINESS EN ETHIEK Hoofdstuk 1: bedrijfsethiek in het spanningsveld tussen persoonlijke en institutionele verantwoordelijkheid.............................. 4 Inleiding: algemene beschouwingen over bedrijfsethiek..................................................... 4 1. 1 Bedrijfsethiek vanuit het standpunt van de ethische ondernemer.............................. 4 1.1.1 Bedrijfsethiek als ‘science des moeurs’: wetenschappelijke studie van het feitelijk moreel gedrag ................................................................................................... 5 1.1.2 Bedrijfsethiek als normatieve ethiek ............................................................... 5 1.2 De ethische onderneming ....................................................................................... 9 1.2.1 Het statuut van de onderneming.................................................................... 10 1.2.1.1 Een sociologische kijk: van organisatie naar instituut................................ 10 De dierbare organisatie......................................................................................... 10 Institutionalisering als routine............................................................................... 10 Internationalisering als interne waardecreatie ....................................................... 11 1.2.1.2 Een economische kijk op de onderneming................................................. 11 Het ondernemingsbegrip verruimd......

Words: 12394 - Pages: 50

Free Essay

The Developments of 'Wrongful Birth' and 'Wrongful Life' in the Uk and Australia

...This article is published in a peer-reviewed section of the Utrecht Law Review The Use and Influence of Comparative Law in ‘Wrongful Life’ Cases Ivo Giesen* 1. Introduction** 1.1. Comparable stories of great grief In 1993, a South African boy named Brian Stewart was born severely handicapped. He suffers from ‘spina bifida’, a congenital defect to the lower spine, which negatively affects the nerve supply to the lower limbs, bladder and bowel. He suffers from a brain defect as well.1 In 1994, a Dutch girl named Kelly Molenaar was also born severely handicapped. By the time she was two-and-half-years old she was diagnosed as being retarded, autistic, not fully grown, not able to walk or talk, suffering from heart disease, bad hearing and poor eyesight and she was not able, at that time, to recognize her parents. She had been admitted to hospital on nine occasions due to continuous crying, believed to be caused by pain.2 Comparable stories about severely handicapped children can be found in several other countries as well. Both Brian and Kelly were not supposed to have been born in the sense that their mothers would have chosen for an abortion had they known in time about the birth defects their children would suffer. Brian’s mother would have undergone a termination of her pregnancy had the obstetrician and gynaecologist she consulted detected any abnormalities in the foetus and advised her thereof. Kelly’s mother had asked the obstetrician she consulted to carry out some...

Words: 18173 - Pages: 73