Free Essay

Stijn Streuvels En Ausonius' Mosella

In: English and Literature

Submitted By lateur
Words 6024
Pages 25
Stijn Streuvels en Ausonius’ Mosella
Lezing voor het Stijn Streuvelsgenootschap bij de voorstelling van het 19de jaarboek ‘Stijn Streuvels als vertaler’
Kulak, maandag 26 mei 2014 om 19.30u.
-------------------------------------------------

Dames en heren, het onderwerp van mijn lezing diende zich voor de eerste keer aan toen ik in 1992 grasduinde in het pas verschenen repertorium van Patrick De Rynck en Andries Welkenhuysen, De Oudheid in het Nederlands, een bibliografische gids voor vertalingen van Griekse en Latijnse auteurs. In het register van vertalers botste ik op de naam van Stijn Streuvels. Streuvels vertaler van Griekse of Latijnse teksten? Bleek dat Streuvels in het tweede deel van zijn Genoveva van Brabant, verschenen in 1920, een reeks fragmenten uit de Mosella van de vierde-eeuwse Latijnse dichter Ausonius had vertaald. Dat was eigenlijk ook al te vinden in het repertorium van Geerebaert, de bekende pater Geerebaert, met wiens grammatica’s en tekstboekjes veel humaniorastudenten in de vorige eeuw de oude talen studeerden. Zijn lijst van Nederlandse vertalingen verscheen in 1924, vier jaar na het tweede luik van Streuvels’ Genoveva, en vermeldt de vijf fragmenten uit Ausonius’ Moezelgedicht. De Rynck en Welkenhuysen geven als aanvulling tussen haakjes: ‘uit het Duits vertaald’. De roman had ik toen nog niet gelezen. En wellicht was en ben ik niet de enige, ondanks mijn grote belangstelling voor Streuvels. Het werk was niet eens opgenomen in het tweede deel van Volledig werk dat in 1972 bij Orion verschenen was. In zijn inleiding had Marcel Janssens het over ‘notities van cultuurhistorische aard, die zijn bewerking tot vervelens toe overladen’, ‘het overgedetailleerde boek’ en ‘documentaire uiteenzettingen die naar de steekkaartendoos ruiken.’ Die vermelding van een intermediaire vertaling van Ausonius via het Duits nam mijn aanvankelijke verrassing helemaal weg. Zij deed me toen wel voor het eerst naar Streuvels’ roman grijpen, die als achtste deel was opgenomen in de uitgave van het verzameld werk in de vijftigerjaren. Ik houd aan die lectuur een aardige indruk over.

Acht jaar nadat ik had vastgesteld dat er een kleine band was tussen Streuvels en Ausonius, heb ik de Genoveva weer ter hand genomen, alleen maar om de door Streuvels vertaalde verzen van Ausonius nog eens op te zoeken. In 2000 had ik het plan opgevat om de Mosella van Ausonius, die nog nooit volledig in het Nederlands was vertaald, zelf te vertalen. Lied van de Moezel verscheen het jaar daarop in Amsterdam, is vandaag niet meer te vinden, maar wordt in 2015 door mijn Leuvense uitgever P met ander door mij vertaald Ausoniusmateriaal heruitgegeven. Vanwaar dat vertaalplan? Als classicus en leraar kwam ik wel eens in Trier en op de tweejaarlijkse studiereis naar dat Rome benoorden de Alpen had ik al vaak gedacht aan de Mosella. Ik reis graag in het gezelschap van teksten. Mensen van vroeger hebben altijd wel iets te vertellen wat wij op dezelfde plaats niet of niet meer zien. Vandaar.
Het is in die maanden van 2000 dat ik ook Streuvels’ lezing doornam, die hij in 1929 – negen jaar na publicatie van zijn Genoveva van Brabant – heeft gehouden voor de Koninklijke Academie. De laatste pagina’s heeft Streuvels in 1957 in licht gewijzigde vorm overgenomen in Ingooigem II onder het jaar 1919. Merkwaardig genoeg rept Streuvels er met geen woord over Ausonius en zijn Mosella.

De vraag van voorzitter Marcel de Smedt om een lezing te houden bij het verschijnen van het nieuwe Jaarboek van het Streuvelsgenootschap was voor mij het derde en definitieve momentum om klaarheid te scheppen in de queeste die in 1992 begon. Ik breng u graag verslag uit over mijn bevindingen in het algemeen en een paar kleine vondsten in het bijzonder.

* * *

Maar vooraf toch graag nog even een tweetal bedenkingen van Streuvels zelf over vertalen. In Hoe men schrijver wordt, waarmee in het Volledig werk de bundeling Herinneringen (1910-1940) opent, vertelt Streuvels hoe hij dankzij de aanhoudende én overrompelende lectuur van anderstalige auteurs, ertoe kwam stukken te vertalen. ‘Toen had ik nog in de verste verte niet aan schrijven gedacht; maar de dingen ordenden zich stilaan in mijn geest, ik begon klaar te zien in de doolhof , waar ik zolang /gedompeld had als een dronken man. […] Enkele van die kleine stukjes, korte vertellingen, die mij bijzonder aanstonden, zetten mij aan ze te vertalen; dat scheen me toen het beste middel om er dwarsdoor in te komen en van die vreemde dingen de aroom te genieten. Ander reden of doel bestond niet, want telkens ik iets vertaald had, werd het geschrevene zorgvuldig verscheurd. Ik wilde vooral vermijden dat men in mijn omgeving zou weten dat ik schreef.’ Streuvels vertaalde blijkbaar stukjes die hem aanspraken ‘in oude schrijvers, in Shakespeare, maar bijzonder bij de moderne Russen en Noren.’ Vertalen was voor Streuvels een uitweg zoeken voor zijn voelbare drang om te schrijven, maar die schrijfdrang wou hij niet laten blijken aan zijn omgeving. Vertalen was vooral – en dit is voor veel vertalers herkenbaar – een manier om de auteur van de brontekst heel nabij te komen, hem te begrijpen, hem te savoureren. Waarbij ook nog de gedachte meespeelt dat wat niet in de eigen taal toegankelijk is, vertaald moet worden. En doorgegeven. Streuvels verwoordt hier m.i. een paar essentiële voorwaarden die mensen aanzetten tot vertalen.

Langs de andere kant is Streuvels dan weer controversieel door zijn rigide standpunt over de verhouding brontekst – doeltekst. In de inleiding op zijn vertaling van Légendes flamandes van Charles de Coster luidt het: ‘Volgens mijne opvatting moet de vertaler den smaak, den geur, den zwaai van het oorspronkelijke in de vertaling trachten te bewaren en weer te geven; zover zelfs dat hij door wending en plooi, zijne eigene taal en stijl een beetje geweld mag aandoen op 't gevaar af van slecht vlaamsch te schrijven’ Het eerste deel van het citaat zal elke vertaler onderschrijven, tegen het tweede zal men vandaag grote bezwaren opperen. Want een formele gelijkheid doet onrecht aan de doeltaal, de eigen taal van de vertaler. Het moeizaam vormelijk loskomen van de originele prozaïsche of poëtische schriftuur om in de eigen taal een nieuwe en eigen vorm uit te proberen, is precies een van de grote uitdagingen voor vertalers. Zij moeten zich vaak verzoenen met de onmogelijkheid iets op een identieke wijze te vertalen, maar precies daardoor krijgen zij zicht op iets nieuws. Dat is de reden waarom ik in mijn vertaling van Homeros’ Ilias de Griekse hexameter heb weergegeven in jamben, in blanke verzen, of epitheta heb omschreven In zijn gebundelde essays over vertalen noemt Paul Ricoeur dat équivalence sans identité. Vertalen is de eeuwige queeste niet naar een formele gelijkheid, maar naar een gelijkwaardigheid. En die equivalentie kan nooit een volkomen gelijkheid inhouden, “op ´t gevaar af – inderdaad - van slecht vlaamsch te schrijven.” Op dat punt roep ik Streuvels graag even ter orde.

* * *

De twee werken waaruit brontekst en doeltekst komen zijn dus Ausonius’ Mosella en Streuvels’ Genoveva van Brabant.
Pro memoria toch even de inhoud van de Genoveva in een notendop. We schrijven achtste eeuw van onze tijdrekening. Ergens in het gebied van de Dijle krijgt de Hertog van Brabant en zijn vrouw niet de verhoopte zoon, maar een dochter die zij een degelijke opvoeding weten te geven gebaseerd op de klassieken en de Bijbel. Genoveva wordt uitgehuwelijkt aan paltsgraaf Siegfried uit het gebied van de Moezel. Tot zover het eerste deel van de roman, zowat driehonderd bladzijden. Wanneer Siegfried ten strijde moet trekken, probeert de huismeester Golo de liefde van gravin Genoveva te winnen. Zij weigert en wordt door de sluwe Golo zelf beschuldigd van echtbreuk, en met toestemming van de afwezige graaf Siegfried zelfs veroordeeld. In de gevangenis bevalt zij van een zoon, wordt met het kind weggevoerd om gedood te worden, maar de beulsknechten laten haar vrij in het woud. Daar verblijft zij met haar opgroeiend kind tot de graaf jaren na zijn terugkeer zijn vrouw tijdens een jacht in het woud terugvindt. Nog later sterft de verzwakte Genoveva en Siegfried trekt zich met zijn zoon als kluizenaar terug in het woud.
Streuvels’ meest volumineuze werk verscheen in twee delen, respectievelijk in 1919 en 1920. Een herdruk moest wachten tot 1952, en daar vormen de twee delen samen het achtste deel van Stijn Streuvels’ Volledige werken. Genoveva van Brabant was dus geen succes. August Keersmaekers zoekt de oorzaak daarvan in het feit dat het een atypische Streuvels is: ‘Misschien is nog het meest te betreuren, dat men in het grote werk té weinig de ‘historische roman’ heeft gezien; het is toch een unicum in Streuvels’ oeuvre. Wellicht heeft men al te zeer de ‘boeren-Streuvels’ steeds in het achterhoofd gehad, om het eigen karakter van zijn cultuur-historisch verhaal onbevooroordeeld te waarderen.’
Een jaar na het verschijnen van het tweede deel bezorgde Streuvels een bekorte versie van het Genovevaverhaal. De schoone en stichtelyke historie van Genoveva van Brabant verwerkt in amper zeven bladzijden het eerste deel, de volle nadruk ligt op de handeling van het tweede deel.

Mosella is een Latijns leerdicht van Decimus Magnus Ausonius (ca. 310-395 n.C.). De leraar uit Bordeaux werd door keizer Valentinianus I in 364 naar Trier geroepen als opvoeder-leraar van zijn zoon Gratianus. Het is daar dat de eerste dichter van Frankrijk onder de indruk komt van het Moezeldal, dat hem inspireerde tot Lied van de Moezel, het eerste stroomdicht uit de Europese literatuur. Ausonius bezingt de charmes van het leven op en langs het water van de Moezel. In dit paradijs voor vissers, waar saters en najaden stoeien in de hitte van het middaguur, schuiven schepen langs dichtbegroeide oevers, terwijl op de hellingen heerlijke landhuizen liggen tussen bloeiende wijngaarden.

* * *

De aanwezigheid van Ausonius’ Mosella in Streuvels’ Genoveva beperkt zich niet tot vijf vertaalde fragmenten in het begin van het tweede deel. Het is wellicht nuttig om even de twee passages te vermelden waarin de Mosella wordt geïmiteerd ofwel als boek meespeelt in het verhaal.
Wanneer Benignus, monnik van het dubbelklooster van Andenne, als leermeester van Genoveva haar landstreek bereikt, staat hij boven op een heuvel verwonderd stil: ‘Maar als Benignus met valavond, vermoeid door den ongewonen gang, den negge van den heuvel beklommen had en aan den rand van het woud gekomen, het kringvormige dal in één aanblik onder ´t opene zicht kreeg, ontsnapte hem een kreet van bewondering, - het scheen hem de verwezenlijkte droom van een zijner geliefkoosde Latijnsche dichters en hij bleef pal, den adem ingehouden, uit vrees dat het tooverbeeld bij het minste luchttochtje kon verzwinden als een bedrieglijk spiegelschijnsel.’ (105) Volgt dan een lange lyrische evocatie van het uitzicht op het dal van de Dijle. Die ‘geliefkoosde Latijnse dichter’ is Ausonius, die in de ouverture van zijn Mosella iets gelijkaardigs evoceerde, toen hij na een fictieve reis door duistere wouden plots het Moezeldal bij Neumagen ziet liggen:

En eindelijk, in Belgisch grensgebied, ontwaarde ik de wijdvermaarde vesting van de vergoddelijkte Constantijn:
Neumagen. Klaarder is de lucht die hier het landschap overspant en Phoebus, helder nu, opent op een wolkeloze dag een tintelende hemel. En naar blauw hoeft men niet meer te zoeken, niet gehinderd door zwartig groen en strengeling van takwerk.
De mateloze glans van een limpide dag weigert voor wie kijkt het zuiver zonlicht niet, evenmin een stralend firmament.
Ja, alles één lust om te zien. Dit bracht me de luister en de levenssfeer voor ogen die ik gekend had in mijn vaderstad, het prachtige Bordeaux: hoog op de steile oevers verheffen landhuizen hun daken en wingerds vullen er de heuvels groen, beneden glijdt in stille murmeling de liefelijke stroming van de Moezel.

Streuvels heeft Ausonius’ Mosella ontdekt tijdens de oorlogsjaren, toen hij zich documenteerde voor zijn Genoveva. Ik kom daar nog op terug. Nog directer dan deze allusieve evocatie van Ausonius en de ouverture van zijn stroomdicht is de passage waarin Benignus aan Genoveva de Mosella ten geschenke geeft. Op het einde van het eerste deel overnacht het pasgehuwde paar, dat op weg is naar de Moezelstreek, in de abdij van Andenne, de abdij van haar oude leermeester Benignus. ‘Hij (sc. Benignus) bracht haar in het scriptorium waar hij ter gelegenheid van het huwelijk zijner leerlinge, een prachtig handschrift had gereedgemaakt van de Proverbia Salomonis, de Cantica Canticorum, maar ook het lofgedicht ‘De Mosella’ van Ausonius…’ (286-287) De twee boeken die Benignus aanbiedt, staan voor de vorming die hij Genoveva indertijde meegaf op basis van de klassieke auteurs en de Bijbel en vroegchristelijke schrijvers.
Na de allusie op Ausonius en het geschenk van diens Mosella op het einde van het eerste deel, volgen in het begin van het tweede deel de vijf citaten uit het Latijnse Moezelboek. Streuvels’ vertaling staat dus niet geïsoleerd in de Genoveva: het is uitgerekend uit haar huwelijksgeschenk dat Genoveva in afwezigheid van haar man Siegfried de sluwe Golo hoort reciteren: ‘”De Mosella”! Ausonius’ heerlijk gedicht! de vertrouwde klank haar bekend uit het afschrift, van Benignus als huwelijksgeschenk gekregen.’ (347-348).
* * *

Tussendoor moet ik toch even wijzen op het enorme opzoekingswerk dat Streuvels moet hebben geleverd. In Ingooigem II schreef hij daarover zelf onder het jaar 1917: ‘In de loop van de zomer heb ik er mij aangezet om van de legende van Genoveva een Vie romancée te maken. Boeken aangekocht, documenten doorsnuffeld om mij op de hoogte te brengen van het onderwerp. Een beste middel om de verveling te verdrijven en de oorlog te vergeten.’ En ook zijn lezing voor de Koninklijke Academie in 1929, die ik al even vermeldde, geeft een beeld van zijn voorbereidend studiewerk. Het Letterenhuis in Antwerpen bewaart een vrij omvangrijk archief rond de Genoveva, met o.m. honderden papiertjes vol notities van Streuvels i.v.m. realia die hem bij het schrijven van de roman van pas konden komen. Ook de namen van de Latijnse schrijvers passeren er de revue, een aantal met hun Franse naam en met een toelichting van een onbekende hand, die Streuvels moet hebben geholpen. Onder een lijst met woorden staat ook Mosella, waarbij Streuvels noteert: ‘gedicht van Ausonius (een geleerde Galliër)’. Het is een aandoenlijke aantekening, die erop wijst hoe vreemd de wereld van de klassieken voor Streuvels moet zijn geweest. Aan die vergaarbak van geleerde notities moest ik denken bij de lectuur van Het derde leven van Stijn Streuvels, dat Ludo Simons onlangs publiceerde. Simons citeert er uit de aantekeningen die de bijna tachtigjarige Streuvels begon te schrijven bij wijze van terugblik op zijn leven. Dat memoriaal, dat in het Letterenhuis berust, zou toch ooit integraal moeten worden gepubliceerd. ‘Ik voel soms het gebrek van een klassieke opvoeding, grondige kennis van veel talen – die een mens volmaken – algemene cultuur, die een open blik geven, durf… En ook: Mijn ongeluk is geweest niet gestudeerd te hebben…’ In het Genoveva-materiaal van het Letterenhuis zijn ook een aantal getypte lijsten te vinden met Duitse boeken over de meest uiteenlopende onderwerpen. Vermoedelijk zijn dat de lijsten die Streuvels samenstelde op aanwijzen van de Duitse historicus Robert Paul Oszwald en van Anton Kippenberg van Insel Verlag. Op een van die lijsten staat onderaan getypt: ‘Deze bestelling werd gedaan door Heer Richard Callens Te Kortrijk in october 1916.’ Richard Callens was de neef van Streuvels’ echtgenote Alida Staelens. Hij werd na de oorlog vervolgd en veroordeeld wegens activisme. Vreemde vaststelling: in die lijsten komt Ausonius’ Mosella niet voor, enkel een documentair boek over de Moezel.

* * *

Bij het doornemen van het Genoveva-archief in het Letterenhuis, deed ik een vreemde vaststelling: in het manuscript van Genoveva van Brabant klinkt de Mosella-passage heel anders dan wat er te vinden is in het typoscript en in de boekuitgave. Streuvels geeft in het handschrift in proza perfect de sfeer van Ausonius’ Mosella weer en legt de nadruk op het totaalbeeld van het leven langs en op het water:

-..... de kronkelslingers van den stillen stroom die zijne heldere wateren vlieden laat tusschen groene oevers met wi[j]ngerd bekroond, waar Faunen en Najaden in dartelen, gescholen voor ’t oog der menschen. Schepen met blanke zeilen drijven over de kronkelende bane; witte villa’s met waranden, vijvers en fonteinen; vruchtvelden waar een arbeidlustig volk onder ’t zingen van aangename liederen, spelend ’t werk verrichten; over de wegen in de lommerkoelte, wandelaars langs den stroom, waar de schipper eene spotspreuk roept naar den treuzelenden wijngaardenier, zoodat de galm zijner stem vertweevoudigt tegen den rotswand. Heerlijk op ’t zonglimmend watervlak, waar boot aan boot, door riemslag bevleugeld, in wedstrijd elkander najagen; deze houdt zich te midden de bedding, gene dreelt door het riet van den oever; immer lost en spant weer de ketting en heel de gladde waterbaan is vol drukte en beweging. Aan het oppervlak duikelen de wakkere zwemmers, waar anderen meer genot vinden in de warmbaden waaruit Vulcanus dampwolken doet opstijgen; hier kan men wanen in Bajä te zijn, maar ’t gaat er deftiger toe…….

Toch sluit hij in de details aan bij Ausonius’ gedicht. Twee voorbeelden. Waar Streuvels in het begin boeren, wandelaars en schippers evoceert, wordt hij duidelijk geïnspireerd door Mosella vv.163-168:

[…] Landvolk, dat zijn vreugde in arbeid vindt, en rusteloze boeren zijn vlijtig bezig op de heuveltop en dan weer langs de helling. Als om strijd klinken hun rauwe kreten. En beneden loopt aan de waterkant een wandelaar, er glijdt een schipper langs. Ze schreeuwen en ze schelden op de late druivenboeren.
Alles weergalmt: de heuvels en het trillend woud van de wingerds en de diepe stroom.

Het slot van de passage in het handschrift sluit dan weer aan bij Mosella vv. 337-348. Daar is er sprake van warmwaterbaden en de dampen van Vulcanus, en die plaatsen worden vergeleken met het mondaine Baiae (het Saint-Tropez van de oude Romeinen in de baai van Napels), maar wel met de restrictie dat het er niet zo wulps aan toe gaat:

Waarom de baden vermelden die gebouwd zijn op een rotsgrond, een uitsprong in de stroom? Hun damp stijgt op, als Mulciber diep uit de hete oven breekt, vlammengloed door holle wanden jaagt, de ingesloten damp opeenpakt en de hitte uitblaast. […]
Kwam hier een vreemdeling van Cumae’s stranden, dan dacht hij vast dat zich op deze plaatsen het Baiae van Euboea zich herhaalde in miniatuur. Zo groot is de verfijning en ook de luister die hier lokt, en toch verleidt vermaak hier niet tot overdaad.

Hoe komt het dat Streuvels van het prozastuk uit zijn handschrift in het typoscript overschakelde naar een vertaling van Ausonius’ verzen? Dat is niet direct duidelijk. Met dat prozastuk heeft hij nadien ook niets gedaan, want in de volksuitgave van zijn Genoveva komt Ausonius noch de Mosella ter sprake. Ik zou zeggen: uiteraard niet, want in dat stichtelijk volksboek spelen de klassieken geen rol in de christelijke vrome opvoeding van Genoveva, alleen de Bijbel kan daar een plaats vinden.

Natuurlijk bood een vertaalde selectie uit Ausonius’ Mosella hem de mogelijkheid dichterbij de Moezel zelf te geraken en een meer poëtische en dus meer gevoelvolle toon aan te slaan. In de scène tussen de dromerige Genoveva en de valse, voorlezende Golo laat hij beide figuren a.h.w. in elkaar overlopen. Genoveva droomt van het geluk dat zij met Siegfried zal kennen, eenmaal hij terug is. ‘Nu op den stond echter, werd haar gehoor geboeid door de welluidendheid van den zang die reeds een heelen tijd aan hare afwezige aandacht was ontsnapt. Op de deining van die ruischende lokstem opende zich een visioen dat haar bekend scheen en vertrouwd, doch nu eerst in zijne wezenlijke schoonheid uitgebeeld stond. (345) Volgen dan de vijf Moezelfragmenten. Na die citaten realiseert Genoveva zich welk visioen zich aan haar openbaarde: de Moezel in al zijn pracht, de stroom en het land waar zij haar geluk zal kennen. ‘”De Mosella”! Ausonius’ heerlijk gedicht! de vertrouwde klank haar bekend uit het afschrift, van Benignus als huwelijksgeschenk gekregen. Nu eerst merkte zij geluisterd te hebben naar ´t geen Golo uit een boek had voorgelezen. De ontroering joeg haar den blos op de wangen, maar zij schaamde zich, vreugde te laten blijken.’ (347-348) Het is een haast magisch-realistische passage, waarin Ausonius’ Mosella een cruciale rol speelt. Daarom heeft Streuvels – denk ik – op een erg laat moment in het creatief proces zijn prozatekst over de Moezel vervangen door een selectie van vertaalde verzen. Het is een belangrijke én erg mooie passus in de roman, die in het eerste deel reeds op twee plaatsen wordt voorbereid. Daar heb ik al op gewezen, vooral op het feit dat de monnik Benignus de Mosella als huwelijksgeschenk aanbood. Dat Streuvels nu bij wijze van climax Ausonius zelf aan het woord laat via een vertaling, is een gelukkige keuze, een verbetering in vergelijking met het manuscript van de roman.

* * *

Beschikte Streuvels over een tekst van de Mosella? Ik zie niet in welk belang hij zou hebben gehad bij een Latijnse brontekst. Wel is het verwonderlijk dat Streuvels in de context van het onderwijs van Genoveva Latijnse verzen citeert uit Carmen 29 van Paus Damasus (hij schrijft verkeerdelijk Damasius) en uit de 14e hymne in het Peristephanon van de dichter Prudentius, telkens over de marteldood van de H. Agnes. En telkens zonder vertaling. Ik heb in het Letterenhuis vastgesteld dat de namen van de dichters en de titel van Prudentius’ werk ook in zijn voorbereidende papiertjes te vinden zijn. Maar wie heeft Streuvels daarbij bijgestaan? Wellicht Jozef Devos, pastoor van Heestert, van wie we weten dat hij een grote belangstelling had voor Oudheid. Of beter misschien, Juliaan Claerhout, pastoor te Kaster, die ook archeoloog en auteur was. Streuvels schrijft over hem In Oorlogstijd op datum van 17 september 1914, wanneer hij naar Kaster trekt: ‘Pastor Jules Claerhout is ten andere nog iets meer dan een gewone buitenpastor – hij is een befaamd geleerde, maakt deel van verschillende wetenschappelijke maatschappijen, heeft veel in ’t vreemde gereisd.” In de bibliotheek van Streuvels bevonden en bevinden zich wel vertalingen van Ausonius’ Mosella, een Franse en een Duitse. De Franse vertaling blijft buiten beschouwing, want zij dateert van 1931. De Duitse vertaling is zonder twijfel de bron geweest voor Streuvels’ verwerking en intermediaire vertaling van Ausonius. Het boekje vertoont duidelijke sporen van gebruik. De verzen 20-21 staan in potlood aangekruist en zullen Streuvels hebben geïnspireerd bij de evocatie van Benignus’ indrukken wanneer hij het Dijledal overschouwde. Maar belangrijker is het aankruisen in potlood van vers 55, het openingsvers van de eerste passus die Streuvels uit de Mosella citeert en vertaalt.

Welke fragmenten koos Streuvels uit het leerdicht van Ausonius?
55-67 : een beschrijving van het heldere water waarin alles zich weerspiegelt en waarin alles zichtbaar is.
152-157 : de wijnvelden op de heuvels in het rond.
161-174 : de arbeid van mensen op en rond de stroom, én de wereld van saters en waternimfen.
189-195 : de kleurrijke spiegel van de Moezel: blauw, met weerspiegeling van groen.
200-207 : een panorama van de bedrijvigheid van boten op het water.

* * * Hoe dient zich die intermediaire vertaling nu aan? Uit de typografie blijkt dat Streuvels de lange Duitse verzen heeft gerespecteerd, in zoverre zelfs dat in de boekuitgave voor quasi elk vers een tweede regel nodig is. Erg fraai oogt het niet. De Duitse vertaling is namelijk in de beste Duitse traditie in hexameters gemaakt, het vers dat in de Griekse en Latijnse literatuur gebruikt werd voor het epos (Homeros en Vergilius), maar ook voor de didactische poëzie (Hesiodos en Vergilius). Ausonius’ leerdicht is dus in hexameters geschreven, zesvoetige verzen met zes heffingen, versaccenten. De Duitse vertaling van Homeros’ Ilias door Johann Heinrich Voss uit 1793 kende veel succes en navolging. In het Duits groeide de hexameter uit tot een nieuwe versvorm, die door grote dichters als Goethe en Schiller werd aangewend voor nieuwe eigen poëzie. Precies daarom is een hexametervertaling in het Duits nog min of meer verantwoord, véél meer dan in onze taal, waar die hexameter nooit zo’n positie heeft ingenomen.

We hebben vastgesteld dat er zich tussen het handschrift en de boekeditie van de Genoveva een verschuiving voordeed van proza naar poëzie bij de verwerking van de Mosella. Nu dringt zich een tweede constatatie op. In het Letterenhuis trof ik bij het typoscript twee losse vellen aan met een handgeschreven vertaling en het is dat manuscript dat finaal werd opgenomen in de boekeditie. De getypte versie was nochtans aanvankelijk volledig geïntegreerd in het complete typoscript, want de twee fragmenten die de Mosellavertaling omkaderen, staan eveneens op de pagina’s 49 en 49 (bis) van het typoscript. Dat er een 49 (bis) nodig was, heeft te maken met het feit dat het tekstvolume van de vertaalde verzen groter is dan de prozaïsche Mosellatekst in het hele handschrift van de Genoveva. Maar het handschrift van de Mosellavertaling, die twee losse vellen, en het typoscript van de vertaling vertonen veel verschillen. Soms is de tekst zelfs grondig veranderd.

In de getypte vertaling ontbreken in het eerste en het vierde fragment op het einde respectievelijk twee en drie verzen. De vertaling zelf is niet steeds correct en bevat een reeks eigennamen die te geleerd aandoen of woorden die niet streuveliaans klinken. In het handschrift is dan weer voelbaar hoe de herwerkte omzetting van het typoscript nauwer aansluit bij de Duitse vertaling van Besser. Geleerde eigennamen als Lyäus en Mosella worden in de handschriftversie wijnstok (Lyaeus is Bacchus, dus wijn) en Moezel, vlijtige planters wordt verlane wijngaardeniers (verlaan is streuveliaans), De wandelaar,/ bedevarend aan den rand der oevers klinkt correcter in het handschrift: De wandelaar echter /Den trakelweg volgend. In het laatste fragment heeft het typoscript het over omroeiende booten, dat in het handschrift riemvoetige booten wordt. In het Latijn staat er remipedes…lembi, in Bessers Duitse vertaling: ruderfüssigen Kähne. Om ons een idee te vormen van de aard van Streuvels’ verzen, zijn de eerste vier van het eerste fragment al voldoende.

[1] Ausonius, Mosella vv. 55-59
Spectaris vitreo per levia terga profundo, secreti nihil amnis habens; utque almus aperto panditur intuitu liquidis obtutibus aer nec placidi prohibent oculos per inania venti…

[2] Typoscript Genoveva van Brabant p. 49
Helder, door spiegelenden gloed, glanst uwe kristal[l]ijnen diepte,
Stroom, die ons niets verborgen houdt: en gelijk de voedende luchtkring
Klaar zich spreidt voor ´t oog van ´t onbewolkte hemelgewelf,
Noch door streelende lucht het vrije schouwen verhindert…

[3] Manuscript Streuvels én boekuitgave p. 345
Doorzichtig van spiegel tot bodem, kristalhelder zijt gij
Stroom! Niets houdt gij geborgen°, en lijk de verkwikkende lucht aether
Zich uitstrekt voor den open blik in het heldere hemelgewelf waar geen geen kozende koeltjes ons niet hinderen in ´t vrije te schouwen…
° boekeditie: verborgen [4] Duitse vertaling (Besser, p. 22)
Glatt erscheint du vom Spiegel zum Grund, in kristallener Reinheit,
Strom! Nichts hältst du geheim, und wie bei heiterem Himmel
Wonnig sein Blau sich dehnt, wohin auch schweifen die Blicke,
Und kein Lüftchen uns wehrt, zu seh’n in die weiteste Ferne, …

De band met de Duitse vertaling valt op. [3] heeft met [4] o.m. het volgende gemeenschappelijk: van spiegel tot bodem – kristal… - de aanspreking Stroom in enjambement en mèt uitroepteken – de plaats van Niets houdt gij… Maar in tegenstelling tot Besser behoudt Streuvels almus … aer als onderwerp in vv.3-4. Dat kan erop wijzen dat Streuvels een helpende hand naast zich had. Ook in [2] is dat het geval. Streuvels haalt dan plots wel verrassend poëtisch uit met kozende koeltjes. Koeltjes/winden sluit beter aan bij het Latijnse venti, terwijl in [2] lucht aansluit bij Lüftchen van de Duitse vertaling.

De versvorm is bij Ausonius én Besser de dactylische hexameter, een afwisseling van dactylen en spondeeën over zes versvoeten. Streuvels vertaalt ook 1 op 1, dus vers per vers. Maar van hexameter is er niet altijd, zelfs veeleer weinig sprake. In dit fragment komen het tweede en vierde vers in de buurt van een hexameter, van de twee andere verzen is het eerste een vijfvoetige jambe, het derde klinkt tot halverwege jambisch, maar de rest loopt mank. Streuvels heeft wel de neiging te zoeken naar zes heffingen per vers, veelal woordaccenten. Zowel in de vertaling in typoscript als in die in het manuscript voelt men heel duidelijk een ritmische beweging, maar een volgehouden hexameter of blank vers is niet de sterkte van deze vertaling.

Hoe die verzen vandaag, zowat een eeuw later, kunnen klinken, laat ik in alle onbescheidenheid even horen:
Je laat in je kristallen diepte kijken dwars door je gladde watervlak, je bent een stroom zonder geheimen. En zoals de milde lucht zich in een open zicht ontvouwt voor onze ongeremde blik, en vriendelijke winden onze ogen niet hinderen de leegte in te kijken, zo zien wij wat heel diep verzonken ligt als wij onder je golven blijven speuren.

Er zijn alsnog geen duidelijke aanwijzingen aan wie de vertalingen in typoscript en in manuscript moeten worden toegeschreven. De vertaling in handschrift, die in tweede instantie voor de boekeditie werd gebruikt, lijkt me meer streuveliaans en vooral correcter omdat ze nauwer aansluit bij Duitse vertaling van Besser. Alleen reeds op basis van het gebruik van het woord Lyäus, bewijst de vertaler dat hij de Latijnse tekst voor zich had liggen, want Ausonius gebruikt in v.162 inderdaad de naam Lyaeus voor Bacchus, wijnstok. Wie die helpende hand is geweest, weet ik voorlopig niet. Misschien opnieuw een van de twee geleerde pastoors, Devos of Claerhout. Streuvels kende Lyaeus niet – die eigennaam komt zelden voor – en hij kon met dat woord ook niets doen – het zou een echte stijlbreuk of woordbreuk zijn. En dus verandert hij die eigennaam in wijnstok. In het Duits van Besser staat er eveneens Weinstock. Het lijkt erop dat we een onderscheid moeten maken tussen de vertaler van Ausonius’ verzen in het typoscript en die van de twee handgeschreven vellen. Jan Persyn, de biograaf van Juliaan Claerhout, benadrukt zijn grote kennis van het Duits, misschien een niet onbelangrijk detail in het licht van een mogelijke samenwerking met Streuvels rond Bessers Duitse vertaling van de Mosella.

* * *

Dames en heren, ik rond af.
Heeft Stijn Streuvels fragmenten uit de Mosella van Ausonius vertaald? Wie zonder enige voorkennis het eerste deel van de bloemlezing Muziek der spheren uit 1944 openslaat, zal bevestigend antwoorden. Want in dat boek is de laatste gebloemleesde auteur Ausonius met vijf Latijnse fragmenten uit zijn Mosella, gevolgd door de vertaling van Stijn Streuvels. Streuvels staat in de bloemlezing naast gerenommeerde vertalers als Aegidius Timmerman, P.C. Boutens, Rutgers van der Loeff en Ida Gerhardt. En in zijn inleiding vermeldt Wagenvoort Streuvels uitdrukkelijk onder de Vlaamse vertalers. De bloemlezer erkent Streuvels als vertaler en de lezer ziet Streuvels’ naam prominent tussen de Latijnse en de daarop volgende Nederlandse tekst staan. Maar alleen al de wetenschap dat Streuvels een autodidact is en nooit aan de studie van het Latijn toekwam, doet al denken aan een intermediaire vertaling. De aanwezigheid van een Duitse vertaling in zijn bibliotheek en een vergelijking tussen de vertaling van Besser en Streuvels’ versie laten toe aan te nemen dat Besser de tussenstap was tussen Ausonius’ Latijn en Streuvels’ Nederlands. Maar het onderzoek van het Genoveva-archief toont aan dat ook de genese van Streuvels’ Ausoniusvertaling ook al in stappen verliep, waarbij er ongetwijfeld nog een derde, alsnog onbekende, helpende hand moet zijn geweest.
Het blijft me verwonderen dat Stijn Streuvels in zijn lezing voor de Koninklijke Academie in 1929, een decennium na de publicatie van zijn Genoveva van Brabant, in alle talen zwijgt over het Ausoniusverhaal. Hij vertelt er over zijn toch wel indrukwekkende voorbereidende studie en over zijn reis naar de Moezelstreek. In Ingooigem II uit 1957 noteert hij: ‘Nooit aan een boek heb ik met zulk genoegen als aan die Genoveva bezig geweest en mij in het onderwerp zo ingeleefd.’ Het kan toch niet anders dan dat de lectuur van de Mosella en vooral het vertaalwerk en ongetwijfeld de samenwerking daaromtrent met bijvoorbeeld iemand als Jozef de Vos of Juliaan Claerhout, een onuitwisbare indruk moeten hebben nagelaten bij de man die het elders betreurt dat hij niet heeft gestudeerd. Hopelijk duikt er nog eens een document op dat daarover iets meer klaarheid brengt.
Dames en heren, ik herhaal mijn vraag: heeft Stijn Streuvels fragmenten van Ausonius’ Mosella vertaald? Ja. De couleur van de vertaling is streuveliaans.

--------------------------------------------
[ 1 ]. Opgedragen aan mijn oud-professor Andries Welkenhuysen, die in Het Lijsternest als eerste op het spoor kwam van Streuvels’ Duitse bron voor zijn vertaling van Mosellafragmenten van Ausonius.
[ 2 ]. Patrick De Rynck en Andries Welkenhuysen, De Oudheid in het Nederlands. Repertorium en bibliografische gids voor vertalingen van Griekse en Latijnse auteurs en geschriften, Ambo, Baarn 1992, p. 426 en 117.
[ 3 ]. A. Geerebaert, Lijst van de gedrukte Nederlandsche vertalingen der oude Grieksche en Latijnsche Schrijvers, Samenwerkende Maatschappij ‘Volksdrukkerij’, Gent, 1924, p. 91.
[ 4 ]. Stijn Streuvels, Volledig werk II, Uitgeverij Orion – N.V. Desclée de Brouwer, Brugge, 1972, p. 19 en 20.
[ 5 ]. Stijn Streuvels, Volledige werken, Deel VIII Genoveva van Brabant, ’t Leieschip, Kortrijk, 1952. De citaten infra komen uit deze editie.
[ 6 ]. Ausonius, Lied van de Moezel (vert. Patrick Lateur), Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2001, 78p.
[ 7 ]. Frank Lateur, Over Genoveva van Brabant in Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde 1929, p. 171-201.
[ 8 ]. Stijn Streuvels, Volledig werk IV, Uitgeverij Orion – N.V. Desclée de Brouwer, Brugge, 1973, p. 1346-1348. Het betreft de pagina’s 198-201 van de gepubliceerde lezing uit de vorige voetnoot.
[ 9 ]. Stijn Streuvels, Volledig werk II, Orion – Desclée De Brouwer, Brugge, 1972, p. 1492-1493.
[ 10 ]. Charles de Coster’s Vlaamsche vertelsels. Uit het Fransch in het Vlaamsch overgezet door Stijn Streuvels, L.J. Veen, Amsterdam, 1917, p. 12.
[ 11 ]. Paul Ricoeur, Sur la traduction, Bayard, Paris, 2002, p. 40.
[ 12 ]. Gust Keersmaekers, Pleidooi voor een vergeten werk: Stijn Streuvels, Genoveva van Brabant in Vlaanderen 43 (1994), nr. 251, p. 93.
[ 13 ]. Streuvels’ Volksboeken, De schoone en stichtelijke historie van Genoveva van Brabant.Met teekeningen versierd door Jules Fonteyne, De Vlaamsche Boekenhalle, Leuven, Leiden, Mechelen en Gent, 1921, 95 p.
[ 14 ]. Ausonius, Lied van de Moezel, p. 7-8 (vv. 10-22)
[ 15 ]. Ingooigem II in Volledig werk IV, p. 1341.
[ 16 ]. Het Letterenhuis bewaart onder S935 handschrift, typoscript, drukproeven en documenten allerhande i.v.m. Genoveva van Brabant.
[ 17 ]. Ludo Simons, Het derde leven van Stijn Streuvels, Pelckmans, Kalmthout, 2014, p. 21 en 26
[ 18 ]. Letterenhuis S935/H.
[ 19 ]. AMVC Letterenhuis, Stijn Streuvels, Genoveva van Brabant : S 935, p. 51-52.
[ 20 ]. Letterenhuis, Stijn Streuvels, Genoveva van Brabant S 935, 49 en 49(bis). Streuvels heeft de wijziging van zijn Mosellapassage pas doorgevoerd nadat het typoscript klaar was. De toevoeging van 49 (bis) is te verklaren door het grotere volume van de vertaalde citaten.
[ 21 ]. Stijn Streuvels, Genoveva van Brabant in: Stijn Streuvels’ volledige werken, Deel VIII, ’t Leieschip, Kortrijk, 1950-1955, p. 345-347.
[ 22 ]. Ausonius, Lied van de Moezel, p. 17.
[ 23 ]. Ibid., p. 28-29.
[ 24 ]. Cf. voetnoot 13.
[ 25 ]. Stijn Streuvels, Volledig werk II, Orion – Desclée de Brouwer, Brugge, 1972, p. 1243.
[ 26 ]. Met dank aan Paul Thiers, Karel Platteau en Jeroen Cornilly voor hun behulpzaamheid bij het opsporen van de werkjes.
[ 27 ]. La Moselle, d’Ausone (trad. E.F. Corpet), suivie de Mon Retour en Gaule, de Rutilius (trad. Lefranc de Pompignan). Illustré par Vassyl Khmeluk, Série Antiqua, A l’enseigne du pot cassé, Paris, 1931.
[ 28 ]. M.W. Besser M.W., Das Mosellied Ausons nebst den Gedichten an Bissula. Mit Erläuterungen und einer Karte, Elwert Verlag, Marburg, 1908.
[ 29 ]. Prof.em. Andries Welkenhuysen, co-auteur van De Oudheid in het Nederlands, bevestigde mijn indruk tijdens een telefonisch onderhoud op 16 mei 2014. Op zoek naar een mogelijke Duitse bron voor Streuvels’ vertaling zocht en vond hij reeds in augustus 1981 in Het Lijsternest de vertaling van Besser. Zijn gegevens zijn in het Erasmusgebouw van de KU Leuven terug te vinden s.v. Ausonius in de indrukwekkende fichesverzameling van de ‘vertaalbibliotheek’ de Gulden Librije, waarvan hij de bezieler was van 1973 tot 2007.
[ 30 ]. Cf. voetnoot 14.
[ 31 ]. Ausonius, Lied van de Moezel, p. 10.
[ 32 ]. Jan Persyn, Juliaan Claerhout. Gemiste kans of menselijk tekort?, De Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen-Amsterdam, 1975, p. 143-144.
[ 33 ]. Muziek der spheren. Bloemlezing van de schoonste gedichten uit de wereldpoëzie benevens den oorspronkelijken tekst voor zoover het betreft gedichten in de Latijnsche / Fransche / Engelsche of Duitsche taal. I - De Oudheid. Bijeengebracht door H. Wagenvoort, De Haan, Utrecht, 1944.
[ 34 ]. Ingooigem II in Volledig werk IV, p. 1348.

Similar Documents